Touwtrekken om enige EU-minister

Als de Europese Grondwet een feit is komt er één Europese minister van Buitenlandse Zaken. Maar wie wordt zijn baas? In Brussel is het zoveelste gevecht om de macht begonnen.

Of het wat minder kon met al dat bezoek uit de diverse Europese landen. Want het waren wel erg veel ministers en regeringsleiders die hun opwachting bij hem wensten te maken. Die boodschap kreeg Javier Solana, de buitenlandcoördinator van de Europese Unie, onlangs van de nieuwe Palestijnse leider Mahmoud Abbas. De drukte bij Abbas was een treffende illustratie van de moeizame Europese buitenlandse politiek. In theorie wil de Europese Unie eenheid uitstralen, in praktijk willen alle lidstaten altijd weer elk op hun manier in de wereld aanwezig zijn.

Deze Europese `spagaat' is de kern van het opgelaaide debat rond de Europese minister van Buitenlandse Zaken. De nieuwe functionaris, voor het publiek straks één van de meest zichtbare gevolgen van de Europese Grondwet, moet namelijk nog ergens in de Europese bureaucratie worden ondergebracht. Maar waar? Wordt hij een verlengstuk van de nationale regeringen, of zal hij het gemeenschappelijke Europa vertegenwoordigen? Over de plaats van de ambtelijke dienst van deze nieuwe Europese figuur is binnen de Brusselse burelen alvast een fikse strijd ontbrand.

In een afgelopen week uitgelekt discussiestuk van Javier Solana, de huidige hoge vertegenwoordiger van de Unie en beoogd minister van Buitenlandse Zaken, en José Manuel Barroso, voorzitter van de Europese Commissie, wordt nog geen keuze gemaakt. Maar juist dat heeft bij betrokkenen tot nerveuze opwinding geleid.

Bij de Europese Commissie en bij het Europees Parlement, de natuurlijke partner van het dagelijks bestuur van de Unie, ziet men de bui al hangen. Daar wordt het uit de weg gaan door Solana en Barroso van een onherroepelijke keuze voor de Europese Commissie als óók een keuze beschouwd: het zal leiden tot een zelfstandige dienst die ergens tussen de nationale regeringen en de Europese Commissie in komt te hangen.

Daarmee zou precies gebeuren wat de Duitse voorzitter van de commissie buitenland van het Europees Parlement, Elmar Brok, al maanden vreest. ,,Dit is een ramp voor het gemeenschappelijke Europa'', zei hij onlangs in een vergadering van het Parlement. En tegenover de Frankfurter Allgemeine Zeitung noemde hij vorige week een buitenlandse dienst die geheel los komt te staan van de Europese Commissie ,,onacceptabel''.

Als zogeheten Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie is de Spanjaard Javier Solana nu al namens de regeringen het eerste aanspreekpunt voor het buitenland. De Grondwet waardeert deze functie, althans op papier, aanzienlijk op. De minister van Buitenlandse Zaken, overigens de enige Europese minister die de Europese Unie zal kennen, moet de Unie vertegenwoordigen ,,in aangelegenheden die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen''.

Alleen zijn die aangelegenheden beperkt. Ingewijden zeggen al lang: een alomvattend gemeenschappelijk buitenlands beleid is nog mijlenver weg, zoniet onmogelijk. Eenvoudigweg omdat het de autonomie van de lidstaten direct raakt. Slechts waar het kan, ofwel waar geen van de 25 landen bezwaar heeft, zal de Europese Unie gezamenlijk opereren. Zoals dat ook nu al gebeurt met Javier Solana die in zijn functie van Hoge Vertegenwoordiger als `secretaris' van de 25 Europese ministers van Buitenlandse Zaken optreedt.

De Grondwet geeft hem in theorie meer bevoegdheden. Allereerst zal hij de vergaderingen van de Europese ministers van Buitenlandse Zaken permanent voorzitten; een taak die nu nog is weggelegd voor de minister van Buitenlandse Zaken van het land dat voor zes maanden het voorzitterschap van de Unie bekleedt. Daar komt nog bij dat de voorzitter annex Europese minister van Buitenlandse Zaken zelf voorstellen kan doen. En vervolgens maakt de Europese minister van Buitenlandse Zaken ook nog eens als vice-voorzitter deel uit van de Europese Commissie.

Dat laatste is het meest heikele deel van de nieuwe Europese buitenlandconstructie. Want daarmee staat de minister van Buitenlandse Zaken met één been in het gremium van de nationale regeringen en met het andere been in de Europese Commissie die bij uitstek het gezamenlijke, bovennationale belang vertegenwoordigt.

Hoe gevoelig en ingewikkeld dat allemaal ligt, blijkt nu er vorm moet worden gegeven aan het ambtelijk apparaat dat Solana ter beschikking krijgt. Want: geen minister zonder ministerie.

Het is de bedoeling dat het beperkte aantal ambtenaren in Brussel dat nu al direct voor Solana werkt fors wordt uitgebreid. Waar de naar verwachting 5000 medewerkers van de nieuwe dienst vandaan moeten komen is geen punt van discussie. Zij komen uit de Europese instellingen waar zij zich ook nu al met buitenlands beleid bezig houden. Daarnaast zullen de lidstaten diplomaten leveren. Des te belangrijker is de plaats van de buitenlandse dienst in het Europese krachtenspel.

Vandaag buigen de ambassadeurs van de vijfentwintig lidstaten van de EU zich voor het eerst, maar zeker niet voor het laatst over het discussiestuk van Solana en Barroso. Het meest voor de hand liggende compromis is dat bepaalde onderdelen van het buitenlands beleid die nu al bij de Commissie zijn ondergebracht zoals de nabuurschapspolitiek daar gewoon blijven. Met als gevolg dat het buitenlands beleid net zo versnipperd blijft als nu. Erg helder is de oplossing niet, maar zo zegt een betrokkene, wel ,,erg Europees''.