Invloed van cultuur en historie

Als de denkbeeldige geschiedenisdocent van historicus/vakdidacticus Klein uit diens opiniebijdrage `Dappere docent' (NRC Handelsblad, 23 februari) het zich serieus aantrekt als hij in 2015 al dan niet terecht de schuld krijgt van de teloorgang van de `Nederlandse identiteit', is het in ieder geval een docent geweest die niet veel gesnapt heeft van de tijd waarin hij geleefd en gewerkt heeft. De `Nederlandse identiteit' ging in die jaren immers minstens zo sterk verloren als door pover onderwijs door de `verworvenheid' dat Nederlanders ongeveer vijfmaal per jaar ergens anders ter wereld, liefst in een ver, arm en goedkoop land, in een `wereldvreemd' hotel met zwembad aan zee, goed afgeschermd van de lokale bevolking, zaten uit te spannen in plaats van zich met elkaar in eigen land door een verregende zomer te worstelen of zich met elkaar bij een kapotte kachel door een te koude winter heen te slaan.

Dergelijke `verworvenheden' waren in die jaren ook niet erg stimulerend voor enig groepsgevoel. Anders gezegd: het is, mijns inziens, ronduit onnozel wat Klein suggereert dat het schoolvak geschiedenis in 2005 nog steeds een of andere nationale identiteit zou moeten dienen. Het vak moet, zoals alle onderwijs, allereerst leerlingen leren nadenken. En het moet in tegenstelling tot wat die vermaledijde moderne didactiek ons almaar probeert wijs te maken over aansluiten bij de belevingswereld van jongeren (niet toevallig een typische marktconcept) die belevingswereld juist groter maken.

Laat iemand mij duidelijk maken waarom ik, zonder al te veel historische kennis van Nederland, maar met een behoorlijk begrip van hoe de wereld politiek en economisch in elkaar steekt en hoe dat zo gekomen is – minder zou geven om de plek waar ik leef dan iemand die zich almaar blindstaart op de eigen cultuur en historie. Het staat natuurlijk chic om de cultuur en de historie zoveel invloed toe te dichten, maar of het allemaal zoveel met de werkelijkheid van alledag te maken heeft, durf ik te betwijfelen.