Europa is te vrijblijvend over economische groei

De Belgische premier Guy Verhofstadt bepleitte onlangs een nieuwe economische groeistrategie voor de Europese Unie. Hij betoogt waarom de tot nu toe gehanteerde methode stukloopt op vrijblijvendheid.

Op 22 maart zullen we, met alle Europese staats- en regeringsleiders, opnieuw vaststellen dat we de `Lissabon-doelstelling' om in 2010 de meest concurrerende economie van de wereld te worden, niet zullen halen. Deze spijtige vaststelling is niet te wijten aan de doelstelling zelf, noch aan een gebrek aan goede wil. Het probleem zit hem bij de methode.

De methode die wordt gehanteerd, de zogenaamde open coördinatiemethode, is namelijk veel te vrijblijvend. Ze geeft immers de indruk dat de problemen van de Europese economie van land tot land compleet verschillend zijn en het best ook op nationaal niveau worden aangepakt.

Toch zijn we er enkel in geslaagd door een gedurfde, gezamenlijke communautaire aanpak zowel grenzen voor goederen en kapitalen grotendeels te elimineren, als de monetaire wanorde door de euro met succes te bestrijden.

Waarom zouden we diezelfde gedurfde communautaire aanpak niet kunnen hanteren bij de poging een competitieve Europese economie tot stand te brengen. Door de huidige aanpak lopen we immers het gevaar de eigenheid van het Europees maatschappelijk model verloren te zien gaan.

De cijfers spreken voor zich. De gemiddelde groei van het bruto binnenlands product was tussen 1992 en 2002 1,9 procent in de eurozone, terwijl dat 3,3 procent was in de Verenigde Staten. Volgens de prognoses van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) wordt die kloof in de toekomst nog groter: 1,7 procent in de eurozone, 3,6 procent in de VS tot zelfs 8,8 procent in China. De totale werkgelegenheid in de eurozone groeide tussen 1991 en 2002 met 6,5 procent, terwijl dat in de VS 17 procent was.

Onderhuids heeft zich bovendien ook in de handelsbalans de voorbije tien jaar een dramatische kentering voorgedaan. Een kwart van de import van de Unie is vandaag afkomstig van China, Japan en de Aziatische tijgers, waarbij in het voorbije decennium een gigantisch handelsdeficit met dit deel van de wereld is ontstaan. En het staat als een paal boven water dat dit nog maar een begin is. De globalisering van de wereldeconomie is immers niet meer te stuiten.

Nieuwe markten worden ontsloten, hordes nieuwe consumenten en nieuwe spelers dienen zich aan. Dit alles dreigt aan de Europese economie voorbij te gaan, omdat ze lijdt aan een aantal interne tekortkomingen, aan een reeks structurele zwakheden. Om die aan te pakken, moeten we, net zoals met het Stabiliteitspact voor de euro, opnieuw een communautaire methode durven gebruiken.

Die volgt vijf sporen, een `vijfkamp' voor Europa als het ware.

Het eerste spoor is een hervorming van onze belastingen. In de huidige open economie moeten onze diensten en goederen door de hoge kostprijs het steeds vaker afleggen tegen de nieuwe groeipolen in de wereld. Die hoge kostprijs is vooral het gevolg van de hoge lasten op arbeid en ondernemingen. Omdat we niet willen raken aan ons sociaal model, is de enige weg die we kunnen bewandelen, die van een massale verschuiving van directe belastingen en sociale bijdragen naar indirecte belastingen. Indirecte belastingen zijn immers neutrale heffingen. Ze drukken niet rechtstreeks op de productiekosten. Ze treffen de uitvoer niet. Ze worden op gelijke wijze geheven op de geïmporteerde als op de hier geproduceerde goederen en diensten. En ze hebben een herverdelend effect dat vergelijkbaar is met dat van de directe belastingen.

Het tweede spoor is `convergentie'. Vandaag is het antwoord van de nationale lidstaten heel disparaat. Er dreigt dumping, wat niet alleen het Europees sociaal model aantast, maar ook de samenhang van de interne markt ondergraaft. Convergentie betekent geen harmonisering, laat staan uniformisering. Convergentie is wel het vastleggen van een bandbreedte, met een minimum en een maximumpercentage waarbinnen elke lidstaat dan zijn optimum tracht te vinden om zo gezamenlijk tot een meer geïntegreerde en ook meer competitieve Europese economie te komen. Een dergelijke convergentie zou op een groot aantal vlakken kunnen worden toegepast. Ik denk aan de percentages van de vennootschapsbelasting, het overheidsbeslag of de flexibiliteit op de arbeidsmarkt.

Het derde spoor is het voltooien van de interne markt. Het uitvoeren van de interne-marktstrategie verloopt veel te traag. Hoe lang wachten we al niet op de invoering van het gemeenschapspatent? Maar vooral is er de achterstand in de omzetting van de richtlijnen met betrekking tot de interne markt. Daarom pleit ik ervoor om te komen tot een automatische omzetting van richtlijnen of althans van de belangrijkste onderdelen ervan. Concreet zouden de interne marktrichtlijnen die niet binnen de vooropgestelde data werden omgezet, toch in hun voornaamste onderdelen in werking treden zodra de vooropgezette omzettingsdata verstreken zijn, ook al is er geen volledige, formele omzetting.

Het vierde spoor is het drastisch verhogen van de onderzoeksinspanning. De Europese Unie blijft inzake inspanningen voor onderzoek en ontwikkeling ver achter bij de VS en vooral Japan. Om in de communautaire financiering spectaculair meer geld vrij te maken voor onderzoek en ontwikkeling, dient vanaf de aanvang van de nieuwe financiële perspectieven 2007-2013 de helft van de uitgaven voor competitiviteit te worden besteed aan onderzoek en ontwikkeling, terwijl ook een kwart van de uitgaven in de regio's van de lidstaten die genieten van de structuurfondsen moet worden gereserveerd aan onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten.

Het vijfde spoor, de vijfde bouwsteen, ten slotte is de nieuwe politieke sturing die dit alles behoeft. Essentieel daarbij is dat de Europese Commissie opnieuw een grotere rol op zich neemt, en exclusief bevoegd wordt voor de uitvoering van de nieuwe groeistrategie. Zij zou een test, een zogenaamde G- (groei)test, moeten uitvoeren op de conformiteit van iedere nationale maatregel met de groeistrategie of de convergentiecode. Ook een nauwere sturing vanuit de nationale lidstaten is onontbeerlijk. In elk land zal ook een bijzondere parlementaire commissie moeten worden opgericht met zowel nationale als Europese parlementsleden.

Dit is een ambitieus project zowel in haar doelstellingen, maar evenzeer in haar instrumenten. Nochtans is het aangaan van deze `vijfkamp' de enige mogelijkheid om de Europese economie tegen 2010 daadwerkelijk tot de meest succesvolle van de wereld te maken én tegelijkertijd ons sociaal en maatschappelijk model te vrijwaren. De keuze is aan de Europese staats- en regeringsleiders: genoegen nemen met vergelijkende tabellen en dito actieplannen of daar bovenop en naar het evenbeeld van de euro en de interne markt een nieuw communautair project op gang brengen.

Guy Verhofstadt is premier van België.