Eenzijdige publiciteit

De bevolking van een kleine plaats in noordelijk Nederland loopt te hoop ten gunste van een afgewezen asielzoeker. Wat de geëngageerde dorpsbewoners niet kunnen weten is dat de man een zeer kwalijke staat van dienst heeft. Een medewerker van de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties vertrekt daarop in arren moede naar het dorpshuis om de mensen ter plaatse te waarschuwen. Maar dat was een hoge uitzondering, eigenlijk een soort noodtoestand, aldus de betrokken medewerker, die inmiddels allang met andere dingen bezig is. Persoonsdossiers horen niet op straat.

Minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie, VVD) vindt dat eigenlijk ook wel. ,,Uitgangspunt is dat alle gegevens die door een vreemdeling zijn verstrekt vertrouwelijk moeten worden behandeld'', schrijft zij aan de Tweede Kamer. Toch kondigt zij nu aan om ,,concrete informatie'' over asielzoekers die de publiciteit hebben gezocht, openbaar te maken als zij dat wenselijk acht om een haars inziens eenzijdig beeld te corrigeren. De minister rechtvaardigt deze ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met het belang van ,,een goede vervulling van de publiekrechtelijke taak'' en ,,een goede en democratische bestuursvorming''. Zij zal haar eigen public relations bedoelen. De invulling van haar publiekrechtelijke taak om oneigenlijke asielzoekers te weren wordt uiteindelijke beoordeeld door de rechter. Het feit dat de uitspraken openbaar zijn, brengt geen verandering in de geheimhoudingsverplichtingen, zoals de bewindsvrouw zelf opmerkt.

De democratische controle op de kwaliteit van haar bestuursvorming betreft, zoals het woord al aangeeft, vooral het beleid. Het is een goede gewoonte dat de Tweede Kamer niet in het openbaar over individuele personen praat. Sommige Kamerleden hebben er een handje van een bewindspersoon te bestoken met individuele gevallen. Maar de parlementaire praktijk heeft daarvoor eigen wegen ontwikkeld om discretie te waarborgen.

Blijven de media. Publiciteit kan lastig zijn voor de beleidsmakers, en is soms eenzijdig. Dat ligt besloten in de vrijheid van meningsuiting. Heeft een minister dan op zijn of haar beurt ook niet recht op uitingsvrijheid? Dat ligt minder eenvoudig dan het op het eerste gezicht lijkt. De vrijheid van meningsuiting is een van de grondrechten. Kenmerkend daarvoor is dat zij dienen om de burger te beschermen tegen de overheid – en niet andersom. Als minister beschikt Verdonk over ruime mogelijkheden haar beleid uit te dragen en door te zetten. Daar hoeft niet nog eens een recht bij te komen om gewone mensen, die slechts gebruikmaken van hun uitingsvrijheid, in het openbaar persoonlijk een kat te geven.