Diplomaat voor hart en nieren

Aan Bernard Cohen hoef je niet te vertellen waarom Nederlanders relatief minder organen doneren dan hun zuider- en oosterburen. Hij is sinds 1975 directeur van de stichting Eurotransplant International en kent de medische cultuur van België, Duitsland, Luxemburg, Oostenrijk en Slovenië tot in detail. Om de donororgaanverdeling tussen deze landen vloeiend te laten verlopen reist hij de helft van zijn tijd door Europa. De andere helft werkt hij op het Leidse hoofdkantoor.

Daar worden vierentwintig uur per dag levensbepalende beslissingen genomen. Gaan de nieren van een Berlijns verkeersslachtoffer naar Ljubljana of naar Groningen? Wordt een jonge vrouw uit München of een oude man uit Leuven aan een nieuw hart geholpen? Medische criteria spelen hier een grote rol, maar zeker niet de enige. Ook ethische en politieke vraagstukken wegen mee in dit internationale bedrijf. Geen enkel land wil dat 90 procent van zijn organen naar het buitenland vertrekt of dat alles naar één bevolkingsgroep gaat. De directeur moet zich dagelijks een goed diplomaat tonen: ,,Er is solidariteit, maar niet tot het bittere eind''.

Cohen krijgt door de vele factoren en nationaliteiten te maken met complexe regelgeving in zijn dagelijkse overleg met verzekeraars, internationale commissies, ziekenhuisdirecties en artsen in de deelnemende landen. Hij sluit contracten met ziektekostenverzekeraars en andere betrokken partijen. Dat zijn er veel: Elk land heeft zijn eigen financiële methode. ,,En de stereotyperingen die we kennen, kloppen voor 200 procent. Soms moet ik in Brussel, Berlijn en Leiden op eenzelfde dag overleg voeren. Dat zijn drie volstrekt andere culturen die niet met elkaar te verenigen zijn. Nederland is het land van de consensus, Duitsland van de bureaucratie en België van de zelfregulering.''

De econoom ziet de cultuurverschillen niet alleen weerspiegeld in de zakelijke contacten die hij heeft. Door het vele cityhoppen ziet hij ook dat de bereidheid om organen te doneren tussen de landen sterk verschilt. Volgens hem is de regelgeving én de cultuur in de landen hier debet aan. ,,Ik werk in een markt die nog niet door Europese regelgeving bepaald is. Dat werkt heel goed, tot het moment dat nationale overheden zich er te sterk mee gaan bemoeien. Dan is er met de Europese gedachte niets meer te beginnen.''

Cohen doelt op de Duitse wetgeving. Samen met Nederland is dit het enige land dat sinds de tweede helft van de jaren negentig duidelijke wetgeving over orgaanbemiddeling heeft. In Duitsland zorgde het voor een enorme bureaucratie en complicaties in de afstemming tussen de landen.

Maar ook de Wet op de orgaandonatie in Nederland gaf een nieuwe dimensie aan het werk van Cohen. Tot 2000 werkte hij namelijk ook voor Eurotransplant Nederland. De nieuwe wet schreef echter voor dat er een apart toezichtsorgaan zou komen: de Nederlandse Transplantatie Stichting. Die werd in 2000 zelfstandig en de Nederlandse tak van Eurotransplant verdween. Cohen trad af als directeur en richtte zich vanaf dat moment volledig op de Europese orgaanverdeling. Bij Eurotransplant International houdt hij het september dit jaar voor gezien.

Eurotransplant International bestaat uit een bestuur, een directie, een bureau en voor ieder orgaan een eigen adviescommissie. Medici uit alle zes landen ontwerpen in de commissies richtlijnen aan de hand waarvan wordt vastgesteld wie er aan de beurt is voor een bepaald orgaan. En daar nemen het bestuur en de directie de uiteindelijke beslissingen over. Cohen is één van de mensen die de uiteindelijke afweging moet maken: is het betaalbaar, schaadt het andere sectoren?