De stilte van de Europese herdenking

De ontzetting over de aanslagen in Madrid leidde tot de instelling van een Europese herdenkingsdag. Politici weten er beter raad mee dan burgers

Aan de andere kant van de telefoonlijn klinkt wat onderdrukt gegiechel. ,,Joehoe jongens, wisten jullie dat komende vrijdag de Europese dag ter herdenking van slachtoffers van terrorisme wordt gehouden?'', vraagt Barryl Biekman aan haar collega's van de afdeling internationale zaken van de gemeente Den Haag. Ontkennend gemompel op de achtergrond volgt. ,,Nou meneer'', komt Biekman even later terug aan de telefoon. ,,Er zitten op onze afdeling veel mensen die veel weten van Europa. Maar van een Europese herdenkingsdag weten ze niets.''

Brussel heeft 11 maart (morgen dus) uitgeroepen tot Europese herdenkingsdag, zeg maar 4 mei op Europees niveau. Ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de aanslagen op vier forensentreinen in Madrid (191 doden, ruim 1.400 gewonden) worden in Europa herdenkingen gehouden. Dit om ,,te laten zien dat terroristische daden tegen de waarden waarop de EU is gebaseerd, indruisen'', zoals staatssecretaris Atzo Nicolaï (Europese Zaken) eind vorig jaar aan de Tweede Kamer schreef.

Tal van regeringsleiders, leden van de Europese Commissie en VN-chef Kofi Annan zijn deze week in Madrid bijeen voor diverse plechtigheden. Oud-staatshoofden als Bill Clinton en Michaïl Gorbatsjov die zich eerder in een vriendenclub verenigden (Club van Madrid), nemen de gelegenheid te baat om zich te manifesteren met een conferentie over terrorismebestrijding. In Straatsburg presenteerde Eurocommissaris Franco Frattini gisteren een overzicht van reeds genomen en nog te nemen EU-maatregelen tegen terreur (zie inzet). En het Europees Parlement heeft, eveneens in Straatsburg, vandaag een minuut stilte in acht genomen (op vrijdag vergadert het parlement niet).

Er is nog een stilte, zij het van andere aard: die in de Europese samenleving. Hoewel de brief van Nicolaï ook sprak van maatschappelijke aandacht voor de herdenking, bijvoorbeeld door scholen, is daar nog niet veel van te merken. Het Brusselse initiatief is grotendeels onbekend, zelfs bij Spaanse organisaties van slachtoffers van de aanslagen van 11 maart.

Volgens de woordvoerder van Eurocommissaris Frattini (Justitie) is er sprake van ,,sporadische maatschappelijke initiatieven'' in de lidstaten zoals bij scholen; een centraal overzicht ontbreekt. Bij kandidaat-EU-lid Roemenië ligt dat iets anders. Onder de 191 doden in de forenzentreinen, waren 29 Roemenen. Volgens de Roemeense ambassade in Den Haag zullen morgen in Boekarest diverse orthodoxe kerken herdenkingsdiensten houden voor de omgekomen landgenoten. Premier Calin Tariceanu is aanwezig in Madrid.

Kolonel Scarlat Cristian, directeur van het Nationaal Bureau voor Heldenverering in Boekarest dat banden heeft met het Roemeense ministerie van Buitenlandse Zaken en met veteranenorganisaties uit de Tweede Wereldoorlog, zegt: ,,We vinden de Europese herdenking een interessant initiatief. Het helpt de Europeanen zich bewuster te worden van de terroristische dreiging voor hun beschaving.''

Vanuit Nederland lijkt de betrokkenheid geringer. Premier Balkenende laat in verband met binnenlands politiek crisisoverleg zich vervangen door minister van staat en oud-minister van Buitenlandse Zaken Hans van Mierlo. Enkele Nederlandse europarlementariërs strijken dezer dagen neer op middelbare scholen. Maar van initiatieven van onderop is bij bijvoorbeeld de Nederlandse vertegenwoordiging van de Europese Commissie weinig bekend.

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei verklaart bij monde van een woordvoerder geen mening te hebben over het Europees herdenkingsinitiatief. Hetzelfde geldt voor de eerder genoemde Haagse ambtenaar Biekman die twee jaar geleden betrokken was bij de oprichting van een nationaal slavernijmomument in Amsterdam. Het 4 en 5 mei-comité, dat op zijn website overzicht geeft van bijna honderd herdenkingen, zegt in elk geval geen concurrentie te vrezen voor de eigen activiteiten. ,,Het gaat hier duidelijk om iets anders: een Europees initiatief uit Brussel dat is gericht op slachtoffers van terreur'', aldus de woordvoerder.

De Nederlandse distantie is opvallend. Na de moord van Theo van Gogh door de moslim Mohammed B. op `2/11' werd immers door veel politici en opinieleiders gesteld dat Nederland zijn versie van `9/11' en `11-M' had gekregen. ,,Kennelijk kwam de klap in Nederland toch anders aan dan in Spanje waar de Europese herdenking wel leeft'', oppert Joost Lagendijk, lid voor GroenLinks van het Europees Parlement waar het initiatief voor de herdenking vandaan komt. Lagendijk vindt het te makkelijk om de plechtigheden af te doen als zoveelste topdown-initiatief uit Brussel. ,,Het is de eerste keer, helemaal nieuw, en dus onbekend bij negen van de tien mensen.'' Verder wijst Lagendijk erop dat blijkens opinie-onderzoeken een Europese aanpak van terreur veel steun krijgt van Europese burgers. ,,Daarom is het ook goed dat de herdenking door politici en bestuurders wordt gebruikt voor het formuleren van concrete maatregelen tegen terrorisme.''

Ten slotte kan de stilte volgens Lagendijk ook duiden op onwennigheid met Europese herdenkingsrituelen. ,,,We houden bij ons in het Europese Parlement regelmatig een minuut stilte, ook voor slachtoffers van grote ongelukken en van natuurrampen, laatst nog van de tsunami. We maken er ook wel eens grappen over, zo van `Goh, moeten we alweer gaan staan?' De Polen wilden dat we de massamoord in de Tweede Wereldoorlog op legerofficieren in Katyn zouden gaan herdenken. Nou, dat hebben we maar niet gedaan. Dat was toch te historisch.''