Confronteer jeugdige dader met de gevolgen

Jongeren die ernstige delicten hebben gepleegd, moeten geholpen worden bij het zoveel mogelijk goedmaken van wat is aangericht, meent Ido Weijers.

Dit jaar is het precies een eeuw geleden dat de kinderwetten in werking traden. Als we vanuit pedagogisch perspectief een eeuw jeugdstrafrecht evalueren, zijn een opvallend sterke en een opvallend zwakke kant te onderscheiden.

Pedagogisch gezien is de sterke kant van ons jeugdstrafrecht dat het een apart strafrecht voor jeugdigen is, met aparte sancties en aparte procedures. Vanuit ons huidig inzicht in de eigen aard van de adolescentie is dit een zeer gelukkige situatie. In het onderzoek naar de kinderlijke ontwikkeling is alleen maar meer steun gekomen voor de intuïtie dat we bij jongeren die over de schreef gaan niet eenvoudig op dezelfde manier kunnen reageren als bij volwassenen.

Maar hier staat een opvallend zwakke kant tegenover. Het gaat mij om twee punten.

Het eerste punt betreft de nog altijd bestaande desinteresse voor het delict dat de jongere heeft gepleegd, en dan vooral voor zijn verantwoordelijkheid daarvoor.

Het tweede punt betreft de eveneens nog altijd aanwezige desinteresse om de ouders actief te betrekken bij de reactie op het delict dat de jongere heeft gepleegd.

Niet ingaan op de delicten, en alle aandacht concentreren op de achterliggende problemen: dat vormt de essentie van wat de afgelopen anderhalve eeuw juist als pedagogisch bij uitstek is beschouwd. Hierop stuiten we bijvoorbeeld meteen in de actuele discussie over gezamelijk opsluiten van onder toezicht geplaatste en strafrechtelijk veroordeelde jongeren (OTS'ers).

Terecht wijzen inrichtingsdirecteuren er van hun kant op dat civiel geplaatste OTS'ers ook lang niet allemaal lieverdjes zijn. Maar deze benadering impliceert wel, dat men voorbijgaat aan wat de andere groep jongeren in de inrichting brengt, namelijk een veroordeling wegens een of meer ernstige delicten.

De gebruikelijke verdediging van samenplaatsing is dat het eigenlijk om ,,hetzelfde soort jongeren'' gaat en dat ze toch ,,dezelfde achtergronden'' hebben. Natuurlijk moeten we rekening houden met de achtergrond van het kind en het klopt dat veroordeelde jongeren vrijwel zonder uitzondering een problematische achtergrond hebben. Maar met deze eenzijdige redenering wordt een cruciale kwestie over het hoofd gezien en die betreft de verantwoordelijkheid. Uiteraard gaat het bij jongeren om een betrekkelijke verantwoordelijkheid, maar mijn punt is dat daarin een specifieke, opvoedkundige opgave besloten ligt. We moeten ze leren wat de verantwoordelijkheid is die naar aanleiding van een delict aan de orde is.

Het misverstand waarmee ons jeugdstrafrecht in de achter ons liggende eeuw heeft gekampt, was dat `pedagogisch' synoniem werd geacht met zachtaardig, tolerant en niet streng. Maar daar gaat het niet om. Alle opvoeding, zachtaardig of streng, draait om hulp richting verantwoordelijkheid.

Dat is óok het geval naar aanleiding van een strafbaar feit. Het typisch pedagogische in de reactie op delinquent gedrag van jongeren zit hem niet in de zachte opstelling van de opvoeder, maar in het beroep dat de opvoeder doet op de `zachtheid' van de jongere, op diens verantwoordelijkheid voor anderen, diens meeleven.

Op dit moment zijn vooral twee benaderingen in de justitiële aanpak van ernstig delinquente jongeren populair: enerzijds de groepsdressuur die op enkele plaatsen wordt toegepast en anderzijds op veel meer plaatsen de sociale-vaardigheidstraining.

Ik pleit daarnaast voor een echt pedagogische aanpak. Die probeert de jongeren te vormen tot mensen die niet alleen terugdeinzen voor rottigheid uit angst voor straf, maar primair uit besef van verantwoordelijkheid voor anderen.

Het tweede zwakke punt van ons jeugdstrafrecht is de desinteresse om de ouders een actieve rol te geven in de reactie op het wangedrag van hun kind. We zouden onze aandacht niet alleen moeten verleggen naar het gezin als object van interventies. We moeten de ouders van meet af aan actief proberen te betrekken bij de reactie op het delict en bij de verwerking van de gevolgen daarvan.

De kern van een pedagogische reactie op een ernstig delict is dat we de aandacht richten op de gevolgen van het delict – voor het slachtoffer, voor de ouders van de jeugdige dader, voor de dierbaren uit zijn omgeving, voor de jongere zelf als morele persoon, en ten slotte voor de gemeenschap. Maar het gaat er niet alleen om de jongeren van de consequenties van hun gedrag te doordringen. De volgende stap is ze te helpen bij het zoveel mogelijk goedmaken van wat is aangericht.

De vorm waarin dit bij uitstek gestalte kan krijgen is een herstelgesprek. Daaraan nemen behalve de jonge dader ook zijn ouders deel en indien mogelijk het slachtoffer of iemand namens het slachtoffer, onder leiding van een gespreksleider.

We kennen een dergelijk beroep op het weer goedmaken wel naar aanleiding van de heel lichte zaken, bij Halt en bij Stop, maar niet bij de ernstige zaken. We moeten ons echter afvragen of we niet te veel willen `opvoeden' en moraliseren aan de onderkant van de jeugddelinquentie, bij het kattekwaad. Zo worden er jaarlijks duizenden kinderen naar Halt gestuurd wegens het te vroeg afsteken van vuurwerk.

Pedagogisch gezien ligt het veeleer voor de hand om op dit soort kattekwaad niet met praten en enge video's te reageren, maar om dit simpel en direct te laten afdoen door de politie met inbeslagname en eventueel een boete. We zouden het daarentegen moeten aandurven om aan de bovenkant, bij de veelplegers, voor een pedagogisch zwaardere aanpak te kiezen. Daar is het echt de moeite waard om aandacht te besteden aan herstel en weer goedmaken.

We hebben in ons land dringend behoefte aan kennis en ervaring op dit terrein. Er ligt een aantal aanbevelingen van de Europese Unie en van de Verenigde naties. Er ligt sinds maart 2002 een voorzichtig positief standpunt van het College van Procureurs-Generaal. Er dient een discussie te komen over de juridische en sociale inkadering van het herstelgesprek. Dit gesprek is geen wondermiddel, hoogstens een aanvulling. Het gesprek moet worden ingebed in een solide begeleidingsproject van jongere en ouders. Het is te hopen dat er in ons land de komende jaren ruime gelegenheid wordt geboden om wetenschappelijk begeleide ervaringen met een dergelijke aanpak op te doen juist bij de ernstige gevallen, waar gevreesd moet worden voor een criminele carrière.

Ido Weijers is verbonden aan de opleiding pedagogiek van de Universiteit Utrecht. Hij is aan dezelfde universiteit bovendien bijzonder hoogleraar jeugdrechtspleging. Deze tekst is een verkorte en bewerkte versie van de oratie die hij vorige maand aan de Universiteit Utrecht hield.