Voor de arts wordt het steeds ingewikkelder

Artsenorganisatie KNMG heeft alle rechterlijke uitspraken over euthanasie in de periode 1980-2004 geanalyseerd. De praktijk blijkt ingewikkelder te zijn dan de wet.

Wat euthanasie is – dáárover zijn we het volgens de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) in Nederland nu wel eens. Euthanasie is levensbeëindiging op verzoek van de patiënt zelf. Dus een baby die opzettelijk gedood wordt, dat is géén euthanasie. Dat is nog steeds gewoon moord.

In 2005, zegt de KNMG, zit de verwarring wél in het onderscheid tussen euthanasie en sedatie – het toedienen van kalmeringsmiddelen. De ene keer noemen artsen en verpleegkundigen het `symptoombestrijding'. De andere keer `terminale sedatie', `langzame euthanasie' of `verkapte euthanasie'. Het ligt er maar aan wat het doel van de sedatie is. En hoe er gedacht wordt over ingrijpen bij leven en dood.

Vandaag komt de KNMG met een rapport waarin de artsenorganisatie alle rechterlijke uitspraken over medische beslissingen rond het levenseinde in de periode 1980-2004 heeft onderzocht. Conclusie: artsen moeten zich bij euthanasie aan veel meer eisen houden dan de wet voorschrijft.

Een voorbeeld. Bij een 78-jarige, terminaal zieke en wilsonbekwame man is afgesproken dat hij niet meer behandeld zal worden, met de bedoeling dat hij zal sterven. Maar de man sterft niet. Hij lijdt ondraaglijke pijn. De chirurg besluit om hem een middel te geven dat op het centrale zenuwstelsel inwerkt en dat de dood kan bespoedigen. De verpleegkundige weigert dit te doen. Het middel wordt toegediend door een arts-assistent. Een kwartier later overlijdt de man.

Was het `palliatief beleid', pijnstilling? Of was het levensbeëindiging? De rechter zegt: levensbeëindiging zonder verzoek. De artsen wisten dat het middel tot de dood zou leiden. Moord dus. Maar hij geeft geen straf, de artsen beroepen zich terecht op een noodtoestand.

De KNMG onderscheidt 41 begrippen die in de praktijk gebruikt worden rond de overgang van leven naar dood. Om ze goed van elkaar te onderscheiden zijn ze ondergebracht in zeven clusters. Naast `overkoepelende begrippen' zijn dat: medisch handelen, (niet) behandelen, palliatie, sedatie, levensbeëindiging en sterven. Zo probeert de KNMG ordening aan te brengen en vat te krijgen op de werkelijkheid.

Het probleem, vindt de KNMG, zit niet in het definiëren. Het is niet zo moeilijk om onderscheid te maken tussen palliatieve sedatie – het toedienen van kalmeringsmiddelen om de pijn te verzachten – en euthanasie. Het wordt pas lastig als er een relatie moet worden gelegd met wat de bedoeling van de arts was.

Levensbeëindiging is geen `normaal medisch handelen', artsen die ertoe overgaan moeten zich houden aan de zorgvuldigheidseisen die staan in de Euthanasiewet. Het tweede deel van het rapport van de KNMG toont dat artsen zich in de praktijk aan veel meer zorgvuldigheidsnormen moeten houden. Die normen zijn in de loop van de jaren tot stand gekomen door uitspraken van de rechter.

Een voorbeeld is de norm dat artsen bestand moeten zijn tegen `oneigenlijke druk'. Het gebeurt nog wel eens dat artsen die zich niet aan alle eisen van de wet hebben gehouden zich beroepen op de omstandigheden, waardoor ze daar geen tijd meer voor hadden. De patiënt dreigt bijvoorbeeld met zelfmoord. Rechters, schrijft de KNMG, hebben bijna nooit begrip voor zo'n argument. Artsen moeten weerstand kunnen bieden.

Een ander voorbeeld is de norm dat artsen onderscheid moeten kunnen maken tussen euthanasie en hulp/ondersteuning. Door een aantal rechterlijke uitspraken, zegt de KNMG, is nu duidelijk wat het verschil is tussen strafbare hulp bij zelfdoding en niet-strafbare vormen van hulp. Wat artsen wél mogen: patiënten informeren over zelfdoding en moreel ondersteunen. Ze mogen ook aanwezig zijn bij zelfdoding. Maar niet instrueren, sturen, of zelf handelen.

Het rapport van de KNMG laat zien dat niet alleen rechters, maar ook de Toetsingscommissies Euthanasie – waarin artsen, juristen en ethici zitten – veel hebben bijgedragen aan de ontwikkeling en de interpretatie van normen voor beslissingen rond het levenseinde. Voor euthanasie moeten patiënten ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Door uitspraken van toetsingscommissies kan dit in de praktijk ook toekómstig ondraaglijk en uitzichtloos lijden zijn.

De KNMG stelt vast dat `klaar met het leven' of `levensmoeheid' nog steeds geen reden mag zijn voor euthanasie. De regering heeft tot nu toe steeds gezegd dat de `klaar met het leven'-problematiek buiten de wet valt. En de Hoge Raad heeft steeds geoordeeld dat de vaststelling of iemand levensmoe is buiten de deskundigheid van artsen valt. De KNMG vindt de Hoge Raad te ongenuanceerd. De beoordeling of iemand `lijdt aan het leven' kan in sommige gevallen wel zeker door artsen worden vastgesteld. De toekomst moet leren of rechters er anders over zullen gaan oordelen, zegt de KNMG.