Militie legt wapens neer in Congo

Ruim 3.900 leden van milities uit het district Ituri in Oost-Congo hebben deze week de wapens neergelegd. De VN-missie in Congo die de ontwapening gisteren bekendmaakte, sprak van ,,geweldig nieuws''.

Hulporganisatie Artsen zonder Grenzen sloeg gisteren alarm over de ,,schrikbarende'' gezondheidssituatie in de vluchtelingenkampen van Ituri.

Ituri is sinds 1999 een van de meeste explosieve regio's van Congo dat nog kampt met de naweeën van een burgeroorlog. Vorige week trad de vredesmacht van de Verenigde Naties in Congo voor het eerst hard op tegen een van de milities die de bevolking in het district terroriseren. VN-militairen doodden meer dan vijftig strijders van een militie die de week tevoren negen Bengaalse blauwhelmen hadden vermoord.

Een andere militie – FAPC – koos deze week voor het inleveren van de wapens. Dat gebeurde in de stad Adu, waar sinds vorige week 700 VN-soldaten waren gestationeerd. ,,Ze zagen dat het gebied onder controle stond van de regering'', zei een VN-woordvoerder, ,,en dat ze moesten kiezen tussen capitulatie of het rebellenbestaan.''

Met die ontwapening verdubbelde in één klap het aantal strijders dat sinds september in Ituri vrijwillig de wapens heeft neergelegd. Tot nu verliep het ontwapeningsprogramma van de VN uiterst moeizaam. Het afgelopen halfjaar hadden zich nog maar 3.800 strijders gemeld. Militieleden die de wapens neerleggen, krijgen 50 dollar. Ze zijn verplicht om in een demobilisatiekamp te blijven. Ze kunnen zich aanmelden voor het nationale leger of begeleiding krijgen bij terugkeer in de burgermaatschappij.

In Ituri zijn de gevechten tussen milities van de Hema- en de Lendu-stam sinds december weer sterk opgelaaid. Ze strijden om controle over land en delfstoffen, zoals goud. Zeker 100.000 mensen zijn verdreven.

Artsen zonder Grenzen hervatte enkele dagen geleden de hulpverlening in kampen voor ontheemden in Ituri, nadat die zorg voor meer dan 54.000 mensen acht dagen had stilgelegen door de verslechterde veiligheidssituatie. De hulporganisatie meldde dat alleen al in het kamp Tché, 60 kilometer ten noorden van de districtshoofdstad Bunia, zeker 25 mensen waren omgekomen.

Volgens de VN stierven er ten minste tien mensen per dag in de kampen in en rond Kakwe. In de kampen in Tché en Gina zou de situatie nog ernstiger zijn. De sanitaire voorzieningen in de kampen voor ontheemden zijn slecht en veel van de verzwakte bewoners hebben last van diarree. Ook worden er dagelijks gevallen van verkrachting gemeld.