Keuren en kiezen

Het is pas maart, maar menig ouder breekt zich het hoofd over de vraag: naar welke school stuur ik in augustus mijn twaalfjarige kind? Vooral in gezinnen in de middenklasse is het van groot belang dat een goede keuze wordt gemaakt. Zij hebben het meest te verliezen, want vooral voor deze gezinnen betekent verstoring van de geplande onderwijsloopbaan een bedreiging voor een prettige toekomst, aldus de Britste socioloog Stephen Ball in diens recente onderzoek naar keuzeprocessen van ouders. Toekomstig geluk betekent voor de middenklasse: voorkom een val naar beneden op de maatschappelijke ladder.

Gezinnen uit lagere klassen breken zich in maart vast ook het hoofd over van alles en nog wat, maar niet per se over de schoolloopbaan van hun twaalfjarige. Zij laten zich bij hun keuze meer leiden door fysieke en sociale nabijheid. Hun kinderen gaan naar een school dichtbij huis waar vriendjes of broertjes of zusjes ook heengaan.

Uit enquête-onderzoeken naar motieven voor schoolkeuze komt de sfeer van de school vaak naar voren als belangrijk selectiecriterium voor ouders. Sfeer betekent in dit geval: de toekomstige medeleerlingen. Uit mijn promotie-onderzoek `Upper middle-class resources of power in the education arena' naar de keuze voor het zelfstandig gymnasium, het tweetalig onderwijs of een reguliere vwo-afdeling bleek bovendien dat het beeld van het soort medeleerlingen vooral een middel is om negatief te selecteren.

Sociale klasse is een woord dat weinig voorkomt in het huidige publieke debat. Maar sociale klasse is nog steeds een goede voorspeller van collectief gedrag. De door mij geïnterviewde ouders (40) bleken er duidelijke ideeën over `foute' en 'gevaarlijke anderen' op na te houden, die samenhingen met de sociaal-economische positie van deze anderen. Zo hekelden de geïnterviewde middenklasse-ouders, die zichzelf zagen als een cultureel rijke middenklasse, een symbolische categorie van economische rijkeren, wier rijkeluiskinderen de waarde van geld niet kennen. Ze schetsten ook een beeld van een bedreigende groep: de wilde kinderen van lagere onderwijsniveaus. Deze drukke kinderen ontbeerden in de ogen van de ouders de noodzakelijke lichaamscontrole. Ouders noemden in dit verband regelmatig kinderen van etnische minderheden. Beide groepen, de `laakbare rijken' en de `gevaarlijk ongedisciplineerden' vormen een bedreiging voor het bijbrengen van een kernwaarde van de middenklasse: zelfdiscipline. Zelfdiscipline is immers nodig om langdurige onderwijstrajecten te volbrengen, om anderen leiding en zichzelf richting te geven, zonder dat daar externe controle aan te pas komt. Dit geldt zowel voor leraren, artsen en ondernemers als voor managers. Zonder zelfdiscipline geen middenklassepositie.

Middenklassegezinnen mijden scholen waarvan ze weten of denken te weten dat er veel `ongetemde' en ongedisciplineerde kinderen op zitten. Voor ouders en kinderen geldt vooral het soort leerlingen als indicatie voor de kwaliteit van een school. Het gevolg is dat scholengemeenschappen met een groot aandeel vmbo-leerlingen te kampen hebben met dalende instroom voor hun havo- en vwo-afdelingen en dat er meer en meer druk op scholen wordt uitgeoefend om homogene schoolomgevingen te vormen, zoals aparte havo- en/of vwo-dependances. Het gaat niet aan om de middenklasse te verwijten dat zij door hun keuzegedrag de onderwijssegregatie in de hand werkt. Ouders handelen vanuit een morele verantwoordelijkheid en dit maakt krachten los die uiteindelijk sterker zullen blijken dan een beleid dat erop gericht is onderwijssegregatie tegen te gaan. Gedwongen spreiding van middenklassekinderen via een postcodebeleid is een heilloze weg. De middenklasse zal haar economisch kapitaal aanwenden om te verhuizen of om particuliere scholen te stichten.

Onderwijssegregatie wordt vaak als probleem gezien, omdat het de integratie van kinderen van etnische minderheden in de weg zou staan. Echter, schools cannot compensate for society, schreef de Britse socioloog Basil Bernstein al in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het idee om sociale integratie te bevorderen via het onderwijs gaat bovendien voorbij aan de sociale werkelijkheid in de klas en daarbuiten. Om een extreem voorbeeld te noemen: wat als een vader zijn zoontje dat bij zijn bevriende klasgenootje speelt, wil ophalen terwijl moeder alleen thuis geen vreemde mannen mag ontvangen?

De lakmoesproef van sociale integratie is de arbeidsmarkt. Want hoe rijk de ervaring van een interetnische vriendschap op school ook mag zijn, als het ene vriendje later op grond van etnische afkomst uitgesloten wordt van deelname aan de arbeidsmarkt, is de samenleving een betrokken, inderdaad geïntegreerde, burger armer. Het is dus verstandiger om te investeren in de `loopbaan' naar werk. Zorg ervoor dat scholen met veel achterstandsleerlingen goede scholen zijn met extra faciliteiten (bekostigd via een hogeropgeleidentax), maar biedt kinderen ook alternatieve wegen naar werk die een minder groot beroep doen op zelfdiscipline en andere vaardigheden of eigenschappen die ze van thuis of door het lot niet mee hebben meegekregen.

Don Weenink is als post-doc onderzoeker verbonden aan het Willem Pompe Instituut.