Franse elite moet nodig getemd worden

Het puberale Frankrijk moet beseffen dat moderne democratieën vragen om serieuze, bescheiden en eerlijke leiders, die de kiezers niet uitbuiten maar respecteren en die grenzen stellen aan hun eigen machtsuitoefening, meent Dominique Moïsi.

Is Frankrijk de laatste echte Europese monarchie? Die vraag rijst bij het schandaal over een appartement op staatskosten dat vorige maand leidde tot het gedwongen aftreden van Hervé Gaymard als minister van Financiën en tot de spannende gedramatiseerde verfilming van het laatste jaar uit het leven van François Mitterrand.

Gaymards gebrek aan normaal gezond verstand zal uiteindelijk misschien niet meer dan een treurige voetnoot bij de recente Franse politieke geschiedenis blijken. Maar het zegt wel iets over een wezenlijke tekortkoming in de houding van de Franse elite, haar inzicht in de aard van de macht, en de kloof met de mensen die de staat en de Franse maatschappij als geheel belichamen.

Het onvermogen van Gaymard en zijn vrouw – zelf ook een machtige publieke figuur – om te beseffen hoe hun keuze van een groot en duur appartement door de rest van Frankrijk zou worden beoordeeld, toont aan dat de elite er nog altijd van uitgaat dat ze bijzondere voorrechten krijgt in ruil voor haar dienst aan de Republiek.

Ditzelfde manco komt ook goed tot uiting in Le Promeneur du Champs de Mars, een film naar het boek van de jonge journalist die Mitterrand in het laatste jaar dat hij aan de macht was tot zijn vertrouweling koos. Mitterrand wordt in de film door de grote Franse acteur Michel Bouquet afgebeeld als een stervende monarch, geobsedeerd door het verval van zijn eigen lichaam als gevolg van kanker en door de instandhouding van zijn eigen imago, ondanks de onthulling van zijn gedurige naoorlogse contacten met een aantal van de meest dubieuze figuren van het Vichyregime. In de film komt Mitterrand vooral over als iemand die trots is op zijn politieke levensduur. Hij schept op dat hij langer meegegaan is dan Charles de Gaulle en vergelijkt de duur van zijn presidentschap met het lange bewind van Napoleon III; de Mitterrand op het doek ziet zichzelf als de laatste echte Franse president en is ervan overtuigd dat Frankrijk na zijn dood door `boekhouders' zal worden geleid.

Vaak wordt gezegd dat landen de politieke leiders krijgen die ze verdienen. Het lijkt daarom onwaarschijnlijk dat de Franse heersende klasse ooit vrijwillig een stijl zal omarmen die meer aansluit bij de protestantse bescheidenheid van de leiders van de Noord-Europese landen. De president van Frankrijk zal niet gauw op de president van Finland lijken.

Maar de Franse burgers hebben een gespleten persoonlijkheid als het hun houding tegenover de staat betreft. Net als pubers die met hun ouders worstelen, verwachten ze veel – van bescherming tot prestige – maar staan ze ook klaar om in opstand te komen tegen de dagelijkse verschijningsvormen van de staat en kunnen ze de straat op gaan om elke poging tot hervorming te blokkeren. De Franse politieke elite doet in het algemeen haar voordeel met de tegenstrijdigheden in de verhouding tussen maatschappij en staat. Maar Franse leiders lopen ook het gevaar het respect van de kiezers te verliezen als ze misbruik van hun positie maken.

Van oudsher speelt de politieke klasse in op het soort leider dat het Franse volk verwacht – eerder een koning dan een boekhouder – door te veronderstellen dat ze in ruil bepaalde voorrechten ontvangt. Mijn eigen ervaring met hoge ambtenaren in Frankrijk en mijn docentschap aan het Nationale bestuursinstituut geven me wel eens de indruk dat de Franse elite niet alleen naar machtige posities verlangt om de publieke zaak te dienen, maar ook als middel om te ontsnappen aan het gewone leven – om in geëscorteerde colonnes de file te omzeilen, om maar een platvloers voorbeeld te noemen. Hoe langer zulke macht wordt uitgeoefend, hoe meer de bezitters het contact met de werkelijkheid verliezen.

Op lange termijn zal deze bijna monarchale uitoefening van de nationale macht misschien worden getemperd door invloeden van buiten: de mondialisering en het proces van de Europese integratie. Maar op korte termijn zou het Franse volk de onwil van de elite om haar voorrechten op te geven of iets van haar macht in te leveren, op twee manieren kunnen afstraffen.

Ten eerste zouden de Fransen hun ongenoegen over de machthebbers kunnen uiten door `nee' te stemmen bij het aanstaande referendum over het Europese grondwetsverdrag. Ten tweede zouden ze een politicus uit een nieuwe generatie – Nicolas Sarkozy, de rivaal van Jacques Chirac – kunnen helpen de volgende president te worden. Geen van beide uitkomsten zou een echte klap voor de monarchale neigingen van de Franse elite betekenen. Sterker nog: verzet tegen het grondwetsverdrag leidt tot vertraging van het integratieproces van de Europese Unie, terwijl dat waarschijnlijk nu juist voorkomt dat nationale politici uit de band springen. En een stem voor Sarkozy is misschien geen stem voor verandering – zijn critici verwijten hem nu al dat hij keizerlijke neigingen vertoont.

Het puberale Frankrijk moet beseffen dat moderne democratieën vragen om serieuze, bescheiden en eerlijke leiders, die de kiezers niet uitbuiten maar respecteren en die bewust grenzen stellen aan hun eigen machtsuitoefening. Het zal pas volwassen worden als het inziet dat de minachting van Mitterrand voor een bewind van boekhouders misplaatst was.

Dominique Moïsi is verbonden aan het Institut des Relations Internationales in Parijs.