Arts mag donor voortrekken

Het idee om donoren in geval van nood voor te trekken boven niet-donoren is zo gek nog niet, betoogt Werner Brouwer.

Nieren – wie heeft er niet graag twee van en bijvoorkeur in goede staat? Helaas, het aanbod blijft al tijden achter bij de steeds groter wordende vraag. Het aantal mensen dat bereid is bij overlijden organen af te staan wil maar niet toenmenen, met alle – uiteindelijk rampzalige – gevolgen vandien.

Minister Hoogervorst heeft nu voorgesteld, in navolging van een rapport van het Rathenau-instituut, om donoren een streepje voor te geven wanneer zij zelf een orgaan nodig hebben, volgens het voor-wat-hoort-wat-principe. Hoogervorst acht het namelijk inconsequent dat sommige mensen (om religieuze redenen bijvoorbeeld) wel organen willen ontvangen maar ze zelf niet willen afstaan.

De optie van een voorrangssysteem kan wellicht een gunstige bijdrage leveren aan de oplossing van het probleem. Immers, donorschap wordt zo niet langer alleen een kwestie van naastenliefde, maar ook van eigenbelang. En hoewel we wellicht anders zouden wensen, is eigenbelang een belangrijke prikkel in het menselijk keuzegedrag.

Als het plan werkt, zullen twee effecten optreden. Allereerst zullen meer mensen donor worden, omdat zij daarmee anderen kunnen helpen en hun eigen kansen op een donororgaan, wanneer zij dat ooit nodig zouden hebben, vergroten. Cruciaal hierbij is de kansperceptie van mensen om ooit in die laatste situatie te raken. Immers, het is bekend dat mensen bij hun handelen minder rekening houden met gezondheidsproblemen die verder in de toekomst optreden en waarvan zij het risico laag inschalen. Het prikkelen van het eigenbelang werkt alleen als mensen ook daadwerkelijk het gevoel hebben baat te hebben bij de keuze voor donorschap. Een vergroting van het aantal donoren leidt vervolgens tot een toename van het aantal mensen dat kan worden geholpen met een donororgaan.

Het tweede effect is dat niet alleen medische criteria en de wachttijd een rol spelen, maar ook het donorschap op zichzelf: een verdelingseffect. In dat opzicht lijkt dit systeem iets op het idee van de bedrijvenpoli's eind jaren '90 om de wachttijden voor werknemers te verminderen.

Een dergelijk effect kan ook nu optreden. Door een mogelijke toename van het aantal donoren kan het aantal gedoneerde organen toenemen. Daar profiteren de geregistreerde donoren meer van, doordat zij een bepaalde mate van voorrang krijgen. Als het plan echter goed werkt (hetgeen een empirische vraag is), dan kan het zo zijn dat de niet-donoren ook eerder geholpen worden dan voorheen. Zij krijgen weliswaar geen voorrang, maar de toename van het aantal donoren kan ook voor hen wel een verkorting van de wachttijd inhouden. Ook zonder voorrang wordt men eerder geholpen dan in de huidige situatie. Op die wijze gaan zowel donoren als niet-donoren er op vooruit.

Dit kan nog verder worden bewerkstelligd door de mate van voorrang voor donoren afhankelijk te maken van het aantal nieuwe donoren. Indien op die manier beide groepen voordeel ondervinden van een dergelijk voorrangssysteem, is zo'n verandering zowel nuttig als rechtvaardig. De relatieve verschillen tussen niet-donoren en donoren worden dan immers gerechtvaardigd door de absolute vooruitgang (daling van de absolute wachttijd) voor beide groepen. Zeker voor iets belangrijks als donororganen lijkt een dergelijk systeem te billijken.

De tegenstanders vinden het nieuwe systeem vooral een breuk met de gelijke toegang tot de zorg. Die claim lijkt in de huidige context wat overdreven. Ten eerste omdat het voorrangssysteem de toegang tot de zorg voor beide groepen uiteindelijk kan vergroten als het werkt en als de mate van voorrang goed wordt vastgesteld. Ten tweede, donoren dragen zelf ook bij tot de toegankelijkheid van iedereen die een donororgaan nodig heeft, dus is enige wederkerigheid niet onbillijk. Het systeem sluit ook niemand uit. Ten derde is ook in andere opzichten de toegang tot zorg veelal afhankelijk van bijdragen (premies) en in dat opzicht is deze regeling niet onlogisch. Ten slotte zou het ook zo kunnen zijn, dat een verdeling als onder het voorrangssysteem, ook beter aansluit bij de voorkeuren van de donoren zelf. Met andere woorden: dat een systeem van wederkerigheid, waarin mensen die zelf ook de bereidheid hebben om organen af te staan een bepaalde mate van voorrang krijgen, meer strookt met de verdelingsvoorkeuren van de gevers, de donoren. Dat laatste lijkt zeker ook relevant in de huidige discussie, maar blijft onderbelicht.

Kortom, gegeven het tekort aan donororganen en de grote problemen die dat veroorzaakt is een hernieuwde poging om het tekort weg te werken op zijn plaats. Uiteraard dient er goed te worden gekeken naar randvoorwaarden en de overgang, maar een beroep op eigen belang zou wel eens in het voordeel kunnen werken van donoren en niet-donoren.

Werner Brouwer is als gezondheidseconoom verbonden aan het instituut Beleid en Management Gezondheidszorg van de Erasmus Universiteit Rotterdam/ Erasmus MC.