Verandering in Libanon maakt nog geen trend

Hervormignen in Egypte, Saoedi-Arabië en mogelijk straks in Libanon maken nog geen democratisch Midden-Oosten. Iran is het sombere voorbeeld.

In zijn wekelijkse radiopraatje wees de Amerikaanse president George Bush zaterdag op de ,,opmerkelijke ontwikkelingen'' in het Midden-Oosten. In dat verband noemde hij de presidentsverkiezingen in Afghanistan (vorig jaar) en in de Palestijnse gebieden en de verkiezingen voor een Nationale Assemblee in Irak (allebei in januari). Ook noemde hij de betogingen in de Libanese hoofdstad Beiroet – ,,Libanese burgers die de vrije verkiezingen in Irak hebben gevolgd eisen nu het recht om hun eigen lot te bepalen'' – en ,,stappen naar democratische hervorming in Egypte en Saoedi-Arabië''. Hij concludeerde: ,,De trend is duidelijk, in het Midden-Oosten en in de wereld is vrijheid in opmars.''

Toen eind jaren tachtig, begin jaren negentig de ene na de andere Oost-Europese communistische dictatuur viel, verwachtten sommigen al dat de volksrevoluties naar het Midden-Oosten zouden overslaan. Maar alle plaatselijke tirannen hielden moeiteloos stand. Krijgen nu dan de nieuwe omwentelingen in Oost-Europa, die in Georgië en Oekraïne, een vervolg in een Libanese `cederrevolutie', en daarna misschien in een Egyptische omwenteling en een Saoedische democratie?

Bij elkaar opgeteld maken de ontwikkelingen die president Bush zaterdag noemde de indruk van een beginnende democratische golfbeweging. De Saoediërs hadden al in geen 40 jaar meer verkiezingen meegemaakt en hebben nu toch gemeenteraadsverkiezingen, al is het alleen voor mannen en voor slechts de helft van de raden; president Mubaraks verkiezing zal voor het eerst in vijf keer door tegenkandidaten worden aangevochten en de Libanezen lijken op het punt te staan de Syrische bezetters het land uit te jagen.

Het verschil met Oost-Europa is echter dat althans voor een deel de veranderingen niet zozeer het gevolg zijn van volksoproer als wel gemotiveerd zijn door angst van de respectieve heersers voor toorn van de Amerikaanse regering. Die stelt zich immers in reactie op de moslimextremistische aanslagen van 11 september 2001 minder tolerant op dan voorheen jegens autoritaire regimes. Mubarak zou een stuk minder makkelijk functioneren zonder de jaarlijkse Amerikaanse steun van 1,9 miljard dollar.

De uitzondering is, tot op zekere hoogte, Libanon. De aan Syrië toegeschreven moordaanslag op ex-premier Rafiq Hariri bracht duizenden Libanezen, gisteren weer tienduizenden, ertoe de straat op te gaan om te protesteren tegen de Syrische bezetting en hun pro-Syrische regering. Dat gaf de oppositie de wind in de zeilen. Toch is ook hier voorlopig nog geen sprake van een volksbeweging. Tot nog toe is het hoofdzakelijk de christelijke middenklasse met een vleug druzen en sunnieten die de betogers levert. De shi'ieten, meer dan 30 procent van de bevolking, ontbreken – die zijn vandaag tot een pro-Syrië demonstratie opgeroepen. Het anti-Syrië protest beperkt zich verder tot Beiroet; elders in het land is het rustig. In sommige Libanese kringen wordt zelfs aan een pro-Israëlische samenzwering gedacht; een gevaarlijke ontwikkeling in het nog steeds verdeelde land.

Dat het Libanese protest niettemin de Syrische bezetters tot beloften van een terugtrekking drijft, is het resultaat van Amerikaanse pressie van dagelijkse aanmaningen tot onmiddellijk vertrek.

Het enige andere land waar betogingen voor democratische hervorming tegen het eigen regime hebben plaatsgehad, is Egypte. Mubaraks geplande herverkiezing zonder tegenkandidaat had niet eerder openlijk protest gewekt; in zoverre is er sprake van een nieuwe situatie. Maar niet meer dan een paar honderd man trotseerde de oproerpolitie om te gaan betogen, en de concessie van het regime is navenant optisch. Geen kandidaat kan het straks redden tegen Mubaraks verkiezingsapparaat. In het buurland Tunesië werd president Ben Ali vorig jaar met 94,48 procent van de stemmen voor de derde maal herkozen met drie tegenkandidaten. (Het feit dat zijn officiële percentage met 5 procentpunten was gedaald in vergelijking met 1999 werd door Arabische diplomaten uitgelegd als signaal dat zijn regime de deur naar democratie op een kier zette.)

Elders in het Midden-Oosten is het stil. In het sultanaat Oman heeft sultan Qaboos zijn volk in 2003 in democratie laten oefenen met verkiezingen voor een raad met alleen adviserende bevoegdheden. Sultan Qaboos is verlicht maar houdt voorlopig alleenrecht op de macht. De Verenigde Arabische Emiraten kennen geen verkiezingen, evenals Libië waar de Gaddafi's de wettelijk verankerde volksmacht vertegenwoordigen.

In Koeweit spannen vrouwen zich eens te meer in kiesrecht los te krijgen van een gekozen maar zeer conservatief parlement. Verkiezingen in Jordanië hebben in 2003 ook zo'n conservatief parlement opgeleverd, dat bijvoorbeeld pogingen van koning Abdallah II om eerwraak strenger te bestraffen en vrouwen echtscheidingsrecht te geven onder verwijzing naar de Koran teniet deed. Overigens behoudt de koning de ultieme macht, met de bevoegdheid de premier te benoemen, het parlement op te schorten en de senaat te benoemen. Ook in Marokko en Algerije spannen machtige conservatief-islamitische groepen zich in verruimde vrouwenrechten weer te beknotten respectievelijk een dergelijke hervormingsmaatregel te voorkomen. Dat is eerder de trend, een toenemend, religieus geïnspireerd conservatisme. Zie ook het door het Amerikaanse leger van zijn seculiere dictatuur ontdane Irak, waar een religieuze shi'itische alliantie met een ayatollah als inspirator bij de verkiezingen van 30 januari de absolute meerderheid won.

Midden-Oosterse machthebbers die weten wat ze willen laten zich niet zo makkelijk verdrijven. Iran, geen Arabisch maar wel een islamitisch en Midden-Oosters land, is wat dit betreft een somber voorbeeld, in verschillende opzichten. Miljoenen, niet duizenden of tienduizenden, protesterende jonge Iraniërs brachten de sjah in 1978-79 ten val. Lang niet allemaal waren de betogers religieus geïnspireerd, maar in de persoon van ayatollah Ruhollah Khomeiny wist de islam wel de revolutie te kapen.

In 1997 stemde een overweldigende meerderheid van de Iraniërs voor hervorming. Het was een voorbeeld van democratisering van onderop afgedwongen, in plaats van van buitenaf opgelegd. Maar de hervormers waren verdeeld – hervormingen binnen of buiten het islamitische systeem en hoe dan? – en de gekozen leider, president Khatami, geen krachtig politicus. De conservatieve factie lanceerde een tegenoffensief vanuit de bolwerken die ze had weten te behouden. Een jaar geleden heroverden de conservatieven het parlement. De verkiezingen waren gemanipuleerd, dat was één reden, en verder bleven veel kiezers teleurgesteld in hun hervormers thuis. Pro-democratie activisten houden hun mond dezer dagen, jonge journalisten en webloggers die het nog wagen over vrijheid te reppen, gaan de gevangenis in.