Radicaliteit is goed voor Nederland

De geschiedenis leert dat Nederlanders radicaler zijn dan zij denken, Gelukkig maar, vindt Joost Rosendaal. Het is in het belang van een levende samenleving.

Zachtgangers, zo typeerde P.C. Hooft de Nederlandse volksaard. De Nederlander houdt van dit zelfbeeld: eindeloos onderhandelend tot een `polder'-compromis, tolerant tot op het bot, elke vorm van radicaliteit bagatelliserend, doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Bescheidenheid is de grootste deugd.

Klopt dit beeld wel? Is de Nederlander wel zo'n braaf, rustig en gelijkmoedig wezen? En snappen wij de Nederlandse volksaard wel als we dit beeld blijven koesteren?

Met grote ogen keek Nederland naar de ontluistering van het politieke establishment door het frank en vrije optreden van Pim Fortuyn. Een half hilarische, half euforische stemming maakte zich meester van de kijker. Een grote groep Nederlanders leek vervolgens radicaal te willen breken met de bestaande orde.

Verbluft en verbaasd keken opiniemakers in binnen- en buitenland naar deze heftige reacties, die Fortuyn bij leven, maar zeker na zijn gewelddadige dood, opriep. En die opnieuw loskwamen na de moord op Theo van Gogh, die door zijn radicale en vlijmscherpe uitlatingen tal van mensen en groepen had geprovoceerd. Radicaal ook waren en zijn de uitlatingen van minderheidsgroepen die zich in de verdrukking voelen, zoals jongeren van islamitische afkomst.

Paniek heeft zich meester gemaakt van politiek en media, maar ook is sprake van verbazing. Hoe moet het nu verder met Nederland? Dit past toch niet in het polderland! Na bijna tien jaar Paars, waarin liberalen en socialisten, toch aartsrivalen, elkaar in de armen waren gevallen en alle oude tegenstellingen als sneeuw voor de zon verdwenen leken te zijn. Nederland was toch een grote, gelukkige, harmonieuze familie?

Hoe slecht kennen we dan ons verleden. Hoe slecht kennen we eigenlijk `ons' zelf als Nederlander. Radicaliteit en heftige tijden zijn niet vreemd in onze geschiedenis. Sterker, ze hebben ons land voor een belangrijk deel gevormd. Tijdens de Opstand tegen de Spaanse koning aan het eind van de zestiende eeuw toonden de Nederlanders zich niet de polderaars die bereid waren om compromissen te sluiten. Aan deze tegendraadsheid dankt ons land zijn zelfstandigheid.

Aan het eind van de achttiende eeuw werd de federale Republiek die Nederland toen was fundamenteel uitgedaagd. Onder invloed van een christelijke verlichting ontstond de opvatting dat iedere burger gelijk was en inspraak diende te hebben in de wijze waarop hij bestuurd werd. De patriotten, later Bataven geheten, accepteerden de wantoestanden in het land niet langer. De gevestigde orde die zich kenmerkte door vriendjespolitiek, corruptie en zelfingenomenheid, was geschokt – met voorop de prins van Oranje als patroon van dit verrotte systeem. Nederland beleefde een revolutie en kreeg in 1798 zijn eerste grondwet.

Het nieuwe Nederland was een eenheidsstaat, met democratie en mensenrechten als de fundamenten daarvan. Kerk en staat werden gescheiden en het bestuur werd controleerbaar voor elke burger. Zeker, dit alles was niet het resultaat van een lineair proces. Er moest nog heel wat water door het rivierenlandschap stromen, voordat dit definitief gerealiseerd werd, maar de eerste, belangrijkste wending was gemaakt.

Tijdens de Nederlandse Revolutie (1783-1799) bestond geregeld de neiging om weer te verzinken in behoudzucht en terug te vallen op de bekende, gevestigde kaders. De radicale onderstroom prikkelde steeds weer om verder te gaan op het pad van omwenteling en hervorming. Na ruim vijftien jaar polarisatie, burgeroorlog, buitenlandse interventie, stromen politieke vluchtelingen, omwentelingen en staatsgrepen keerde langzaam de rust terug en zocht de Nederlander weer naar eensgezindheid.

Inherent aan dit `helingsproces' was de ontkenning van de vroegere verdeeldheid. Het Huis van Oranje, tot 1795 `slechts' de leverancier van stadhouders, keerde in 1813 terug en werd met terugwerkende kracht gelegitimeerd als het Nederlandse vorstenhuis. Oude tegenstellingen verbleekten in het licht van de nieuw hervonden eenheid.

Eind negentiende eeuw waren het Domela Nieuwenhuis en Troelstra en hun bewegingen die de gevestigde orde uitdaagden en tot aanpassingen dwongen. En in de jaren dertig van de twintigste eeuw noopten Musserts NSB en andere antiparlementaire partijen en stromingen de Nederlandse democratie haar bestaansrecht te bewijzen.

In de jaren zestig attaqueerden Provo en nieuwe partijen als D66 en PPR de gemoedelijkheid en gezapigheid van de jaren vijftig op maatschappelijk en politiek vlak. En wie zal in dit jaar van het zilveren regeringsjubileum van koningin Beatrix stilstaan bij de rellen die op 30 april 1980 het nieuws domineerden? De kraakbeweging protesteerde niet alleen tegen de schrijnende mistoestanden op de woningmarkt, maar daagde ook de gevestigde orde en democratie uit om hun bestaansgrond te bewijzen. Nederland was geschokt. Het is de vraag of er toen echt goed geluisterd is naar de kritiek vanuit deze beweging.

Toch keerde de ogenschijnlijke rust terug en leek er niets aan de hand. Of de democratie met een dalende opkomst bij verkiezingen en met een toenemende polarisatie tussen burger en overheid werkelijk goed functioneerde, vroegen we ons maar liever niet af. Totdat Pim Fortuyn twintig jaar later vergelijkbare vragen opnieuw en op scherpe toon stelde.

Van zo'n scherpe toon, een radicale opstelling, moeten `wij Nederlanders' echter niet zo bang zijn. Een democratische samenleving durft zich te laten uitdagen. Een samenleving die leeft en goed functioneert, heeft niets te vrezen van provocaties en zal zich er aan kunnen toetsen.

Als de samenleving de toets niet kan doorstaan, zal ze zich moeten aanpassen, of beter, dan zal de samenleving zichzelf aanpassen. We moeten niet bang zijn voor verandering. De geschiedenis houdt niet op. Radicale opvattingen en uitingen hebben gezorgd en zorgen nog steeds voor dynamiek, die essentieel is voor een levende maatschappij.

Het is onzinnig en ook gevaarlijk om radicaliteit te onderdrukken. Met bijvoorbeeld het verbieden van, weliswaar verwerpelijke, nazisymbolen – zoals een armband met swastika-opdruk (prins Harry) – wordt nog niet het ideeëngoed erachter uitgeschakeld. Dit kan alleen als de democratische samenleving in zichzelf gelooft en de strijd durft aan te gaan met open vizier. Discriminatie en disrespect verdwijnen niet als je de uitingen ervan aanpakt. Je zult moeten graven tot de wortel.

Het is naïef en kortzichtig om, als in een reflex en uit de zucht tot behoud van de dag van gisteren, elke verandering af te wijzen. De overtuiging groeit dat kennis van ons verleden leerzaam kan zijn voor het heden. En ook al geldt daarvoor de waarschuwing aan beleggers dat resultaten uit dat verleden geen garantie bieden voor de toekomst, we kunnen van dat verleden in elk geval wél leren dat Nederlanders ook wel eens heftig en radicaal reageren en dat dit vruchtbaar is voor de ontwikkeling van ons land.

De Nederlander hoeft niet bang te zijn. Met een variant op de bekende uitspraak van Colijn in 1936 zou ik willen zeggen: Ga maar rustig slapen; dankzij radicale stromingen van links, rechts, islam of christendom weet u dat u in een levende samenleving woont.

Joost Rosendaal is docent politieke cultuurgeschiedenis aan de Radbouduniversiteit Nijmegen. Vorige week verscheen zijn boek `De Nederlandse Revolutie. Vrijheid, volk en vaderland, 1783-1799'.