Middelmatigheid troef aan universiteiten

Het onderwijsbeleid in Nederland en de financiering ervan stimuleren geen kennisverwerving, maar middelmatigheid, betoogt Carla Koen.

Het kabinet gaat prat op zijn doelstelling om Nederland tot een kenniseconomie te maken. De herziening van de manier waarop het hoger onderwijs op dit moment wordt gefinancierd, moet hierbij helpen. Echter, gedurende de vijf jaar dat ik werkzaam ben aan de Universiteit van Tilburg heb ik het niveau van studenten gestaag zien afnemen.

Dit uit zich, bijvoorbeeld, aan de bedrijfseconomische faculteit: via het gedwongen verlagen van het niveau van tentamineren wenst men te bereiken dat een behoorlijk percentage studenten slaagt; er is veel groepswerk waardoor punten kunnen worden opgekrikt en middelmatige studenten bij de hand worden gehouden; er is een grote groep studenten van wie het cijfer met een tiende moet worden opgetrokken om een voldoende te halen, en er is een groot aantal studenten dat vaak meer dan drie keer aan hetzelfde tentamen moeten deelnemen om uiteindelijk te kunnen slagen.

Een belangrijke reden hiervoor is de overheidsfinanciering van het onderwijs waarbij universiteiten de grootste bulk van de inkomsten voor onderwijs pas krijgen, nadat een student zijn diploma heeft behaald, dus op basis van aantal afgestudeerden in plaats van op basis van de reëel geleverde onderwijsinspanning.

Een andere reden – die niet openlijk wordt erkend – is de massale toestroom van studenten die objectief gezien het universitair niveau niet halen maar die omwille van de manier van financiering door het systeem worden geloodst. Immers, hoe meer afgestudeerden hoe meer inkomsten. Universiteiten concurreren niet op niveau en kwaliteit maar op aantallen studenten.

De grote aantallen studenten verlagen echter het niveau van het onderwijs aan de universiteit op twee manieren. Enerzijds zorgt het te lage niveau van de massa ervoor dat het algemene niveau lager wordt. Anderzijds zorgen de grote aantallen studenten samen met de chronische onderfinanciering van het hoger onderwijs in Nederland ervoor dat niet-gepromoveerde en vaak nog maar recent afgestudeerde docenten colleges geven. Het is duidelijk dat op deze manier niet het gewenste wetenschappelijk niveau aan de universiteit wordt bereikt. De nieuwe manier van overheidsfinanciering van het hoger onderwijs waarover op dit moment wordt nagedacht, zou dit moeten verhelpen.

Positief is dat de overheid inziet dat financiering op basis van aantallen negatieve gevolgen heeft. Maar nog steeds wordt onvoldoende ingezien dat niet universiteiten maar studenten geprikkeld moeten worden om hun studie af te ronden. De diploma-opslag – een bonus die instellingen zouden krijgen in de nieuwe financieringsvorm als studenten hun opleiding daar afronden – is een verwaterde versie van het huidige systeem en verandert weinig aan de huidige situatie: wie binnenkomt als student moet ook een diploma halen, ongeacht het niveau.

Bovendien wil de overheid één bekostigingsmodel invoeren voor universiteiten en hogescholen. Ondanks samenwerking tussen universiteiten en hogescholen moet tussen beide wel verschil zijn. Universiteiten moeten de laatste stand van zaken op het vlak van wetenschappelijk onderzoek in hun onderwijs inbedden en ze moeten naast de praktische kant vooral nadruk leggen op de theoretische onderbouwing van praktische oplossingen. Dit kan alleen wanneer er voldoende ruimte en dus financiering is voor wetenschappelijk onderzoek en voldoende en gepromoveerd personeel.

Op dit moment is dit voor richtingen zoals bedrijfseconomie (ik spreek uit eigen ervaring) kantje boordje. Door het gebrek aan financiële middelen samen met een enorme onderwijsdruk op universiteiten hebben veel docenten geen tijd om gedegen onderzoek te doen. Lage lonen in verhouding tot het opleidingsniveau in combinatie met een extreme werkdruk leiden tot uitstroom van ervaren docenten naar het bedrijfsleven en vormen een belemmering voor de instroom van nieuwe gekwalificeerde docenten. De druk op de financiële middelen leidt tot het inhuren van vaak pas afgestudeerde en bijgevolg niet-gepromoveerde krachten die een wetenschappelijke verdieping ontberen.

Het is duidelijk dat er meer financiële middelen naar universiteiten moeten gaan. Een hulpmiddel is studenten meer verantwoordelijkheid te geven via hogere collegegelden. Die komen niet alleen ten goede aan een verbetering van de financiële ruimte van de universiteiten, ze leiden ook tot het bewuster omgaan met universitair onderwijs. Studenten schreeuwen hard wanneer het om dit onderwerp gaat en ze eisen een verhoging van de kwaliteit van het onderwijs alvorens hogere collegegelden mogelijk worden. Door hun kortzichtigheid blokkeert deze generatie studenten – en het kabinet steunt hen daarin – elke verbetering van het universitair onderwijs.

Opmerkelijk is ook dat Nederlandse ouders – en dan heb ik het over diegenen die over voldoende inkomen beschikken – volledig buiten zicht blijven. Hebben zij geen verantwoordelijkheid voor de financiering van de studie en het levensonderhoud tijdens de studie van hun kinderen? Wanneer men in Nederland in de richting van een kenniseconomie wil gaan, zal iedereen zijn steentje moeten bijdragen – en dat geldt ook voor voldoende bemiddelde ouders.

Om de kwaliteit van de universiteiten te handhaven en te verbeteren, wil de overheid een nulmeting uitvoeren in internationaal perspectief. Maar dat heeft pas zin als dat gebeurt in vergelijking met een superieure toestand. Spanje en Italië bijvoorbeeld kennen een meerderheid van universiteiten met lage kwaliteitsnormen en dito niveaus. Vergelijking met deze universiteiten zal zeker een positief beeld van Nederland laten zien, maar tegelijk de heersende middelmatigheidscultuur bestendigen.

Dr. C.I. Koen is als assistant professor of Comparative Organization and Management verbonden aan het CentER for Economic Research van de Universiteit van Tilburg.