Met opgeheven hoofd

Twintig maanden lang is Nederland militair betrokken geweest in Irak. Gisteren werd het commando over de Zuid-Iraakse provincie Al Muthanna overdragen aan Groot-Brittannië. Ruim zevenduizend Nederlandse militairen hebben zich krachtens een resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties beziggehouden met het oplossen van problemen in Irak in de periode ná de Amerikaans-Britse invasie. Ze waren geen onderdeel van de bezettingsmacht, maar hielden zich bezig met vredestaken. Hun werk loopt nu af, en de vraag luidt: heeft de Nederlandse aanwezigheid bijgedragen aan de stabilisatie van Irak? En: wat betekent het Nederlandse vertrek uit Irak – zijn we daarmee van onze internationale verplichtingen af?

Nederland heeft nuttig werk verricht in Al Muthanna. De militairen kunnen met opgeheven hoofd de provincie verlaten, in de wetenschap dat ze een relatief rustig deel van Irak achterlaten met voldoende getrainde politiemensen, die samen met de Britten in staat moeten worden geacht de orde te handhaven. Zonder hulp van buitenlandse militairen zal dat nog niet gaan. Het is daarom van groot belang dat Britse eenheden het werk van de Nederlanders voortzetten. Had Nederland dan niet langer moeten blijven om het werk daar zelf af te maken? Dat had gekund, maar de politieke afspraak die vorig jaar juni in Den Haag werd gemaakt, was dat de Nederlandse bijdrage aan de stabilisatiemacht voor Irak voor acht maanden zou worden verlengd, van juli 2004 tot medio maart 2005. Kort gezegd: Nederland zou in ieder geval tot na de Iraakse verkiezingen blijven. Alleen in geval van uitstel van de stembusgang was het denkbaar geweest het verblijf te verlengen. De verkiezingen gingen door en kunnen ondanks ernstige tekortkomingen succesvol worden genoemd. In Al Muthanna bleef de situatie stabiel en dus konden de Nederlanders volgens plan naar huis. Het detachement – en daarmee het land – heeft ruimschoots aan zijn internationale verplichtingen voldaan.

Maar hiermee eindigt het verhaal niet. In Al Muthanna kan het rustig zijn, in andere delen van Irak is dat allerminst het geval. Onverminderd geldt dat er internationale verantwoordelijkheid bestaat voor de Iraakse stabiliteit en staatsopbouw. De Nederlandse politiek dient zich dan ook te blijven bezinnen op de vraag welke bijdragen ze voor Irak kan leveren. Dat kunnen troepen en materieel zijn om in NAVO-verband te helpen bij de training van het Iraakse leger, maar een andere inbreng is ook mogelijk. Den Haag doet er bovendien goed aan deze missie politiek en militair te evalueren. Naar aanleiding van een hinderlaag waarbij in augustus een Nederlandse marechaussee sneuvelde, is de eerste les dat de beveiliging en verdediging van kampementen en troepen beter dient te zijn. Zo is ongetwijfeld nog veel meer lering te trekken.

Politiek blijft het intussen van belang onderscheid te maken tussen het aangaan van internationale verplichtingen en de oude vraag of de argumenten om Irak aan te vallen wel deugden. Recente uitlatingen hierover van minister Kamp (Defensie, VVD) en het incident waarbij een Italiaanse geheim agent door schietgrage Amerikaanse soldaten bij Bagdad werd doodgeschoten, laten zien hoe gevoelig dit nog altijd ligt – en niet alleen in Nederland. Maar beter dan de kloof te koesteren die Europa en Amerika over `Irak' scheidt, is een pragmatische en op oplossingen gerichte aanpak voor het land.