Mak ziet het zo slecht nog niet

`Gedoemd tot kwetsbaarheid'. Dat lijkt, na de vele reacties op het pamflet van Geert Mak, vooral op de schrijver zelf van toepassing te zijn. Met goede wil trad hij de debat-arena binnen, maar smalend werd hij ontvangen. Zijn pamflet werd vanwege ,,onfrisse vergelijkingen met de bruine jaren'' door velen bij voorbaat weggezet.

En in HP/De Tijd van 18 februari betoogde de Arabist Hans Jansen dat Mak moslims naar de mond praat en lijdt aan het `Stockholm-syndroom', een fenomeen dat veel voorkomt bij gijzelaars. Zij leven zich overdreven in de situatie van hun gijzelnemers in en ontwikkelen op die manier zelfs sympathie voor hun belagers. De motieven van Mak worden hier niet goed geduid.

De grootste verdienste van Geert Mak is dat hij een nieuw element in de discussie over `Nederland na 2/11' heeft ingebracht: een kritische reflectie op de Nederlandse cultuur. Op verschillende plaatsen in zijn pamflet zijn daar voorbeelden van te vinden. In de nadagen van 2004 openbaarde zich, aldus Mak, een grote armoede in de Nederlandse cultuur. Enkele voorbeelden: de hysterische reacties in de media en de politiek na de moord op Theo van Gogh en de verkiezing van Pim Fortuyn als `grootste Nederlander aller tijden'. Volgens Mak lijkt Nederland losgeslagen te zijn van zijn historische wortels. Zijn kritiek richt zich vooral op het gebrek aan historisch besef in Nederland. Sterk lijkt mij de weg die hij in zijn verhaal wijst, namelijk de weg van zelfkritiek. Naast historische zelfreflectie moet er ook ruimte zijn voor kritische zelfreflectie op filosofisch en levensbeschouwelijk gebied.

Op een gegeven moment beschrijft Mak zijn gevoel bij de aanblik van de commerciële kerstboom op de Dam, december 2004: ,,De leegte galmde je tegemoet. De bestuurlijke leegte, waarvan deze verkwanseling van de publieke ruimte de zoveelste uiting was. Maar ook de leegte aan cultuur, traditie, innerlijke waarde. Het volkomen gebrek aan trots. Je zou bijna moslim worden.'' Tja, zo haal je je wel de argwaan en het onbegrip van veel lezers op de hals. Dat riekt wel heel sterk naar sympathie met hen die onze cultuur verwerpen en er met messen en bommen op afrennen om haar te vernietigen.

Maar neem zijn overweging serieus. Er zit een heel scherp gevoel in dat belangrijk is voor een zuivere beoordeling van het probleem van Nederland met de islam. In beschouwingen van de vele islamcritici mis ik deze gevoeligheid voor de leegte van de Nederlandse, of meer in het algemeen, de West-Europese cultuur. Zij stellen zich gebroederlijk op in een rij dappere atheïsten die het culturele erfgoed – met op nummer 1 de vrijheid van meningsuiting – koste wat kost tegen vreemd geloofsfanatisme willen verdedigen.

Maar wat mag dan dat grote goed zijn dat verdedigd moet worden? Wat zijn de ideologische principes die het leven hier tot zo'n geweldige hemel maken? Wie hedendaagse muziek, kunst of cabaret volgt, moet toch af en toe een gevoel van diepe leegte en eenzaamheid bekruipen. En een wanhoop die niet verklaard kan worden als angst voor terreurdreiging, maar als gevoel van teloorgang van de westerse wereld.

Is dit overdreven cultuurpessimisme? Het is inderdaad zwaar aangezet, maar pathetische woorden horen nu eenmaal bij de afkalving van een imperium.

Hoe leger de cultuur, hoe meer ruimte ontstaat voor extremistische bekeerlingen. Mak is een van de weinigen die met een voorzichtige vorm van cultuurkritiek de vinger op de zere plek van de maatschappij leggen. Dat men daar niet op ingaat, is een teken dat de leegte van onze eigen cultuur voor velen te pijnlijk is om onder ogen te zien.

Wolter Huttinga is theoloog.