Lachspiegel der Lage Landen

Krijg je van allerlei vakmensen en andere onverdachte bronnen te horen dat de vaderlandse geschiedenis een achterhaald begrip is, een geconstrueerde mythe die met elk tijdperk weer van schoenen wisselt en van kleur verschiet, maar die eigenlijk nooit heeft bestaan, en dan loopt er zomaar een gaaf stuk uit die geschiedenis je huiskamer binnen. Hans Wiegel.

De voormalige VVD-leider sprak afgelopen zaterdag in Ermelo (Gelderland), en haalde de kranten en televisie met een forse uithaal naar: zijn eigen partij. Blijf af van de vrijheid van onderwijs, maande het erelid uit Diever zijn partij-aanvoerder Van Aartsen, Kamerlid Hirsi Ali en minister Verdonk, die elk op hun manier hebben laten weten af te willen van de subsidiëring van het bijzonder onderwijs (lees: islamitische scholen) door de overheid.

Voor Wiegel is de vrijheid van onderwijs zoals die hier is geregeld een ,,fundamenteel liberaal recht''. Zoals hij er dus als jonge blaag in de jaren zeventig in slaagde om de rode tijdgeest hinderlijk voor de voeten te lopen, zo lukt het Wiegel als elder statesman om in deze verhitte jaren nul van deze eeuw zijn eigen partijtop te provoceren. Het aardige is, hij is er geen steek bij veranderd. Dezelfde bravoure, dezelfde aangeleerde deftigheid. En vooral: nog evenveel onverholen plezier in de politiek; een plezierig contrast met het opgestookte alarmisme waarmee veel huidige politici de burgerij denken te bedienen.

Over de merites van Wiegels pleidooi voor het bijzonder onderwijs valt best te te twisten. Wat bedoelt hij precies: mag er helemaal niks aan het huidige arrangement worden veranderd? Het idee om de oude pacificatie van 1917 na bijna een eeuw eens in de steigers te zetten – in de recente parlementaire annalen eerder een links dan rechts agendapunt – is toch niet absurd, en op zichzelf nog helemaal geen aanslag op burgerlijke vrijheden.

Maar er zit wel meer aan vast dan nu wordt voorgesteld. Het populaire argument dat vrijheid van onderwijs prima is, als we maar niet voor religieuze scholen van onze – inmiddels verre – buren hoeven te betalen, heeft de charme van de overzichtelijkheid, maar ook de nadelen daarvan. Simpelweg stoppen met betalen voor bijzondere scholen kan alleen (als we tenminste willen vasthouden aan de emancipatiegedachte die ten grondslag ligt aan de pacificatie van 1917) als ook het openbaar onderwijs aan een grondige revisie wordt onderworpen. Alle burgers, inclusief moslims en hun religieuze overtuigingen, moeten daar dan een volwaardige, respectvolle plaats krijgen. Geen seculier staatsonderwijs, maar democratisch openbaar onderwijs.

De VVD, in de greep van een hervormingsoffensief dat herinneringen oproept aan de jaren zeventig, maakt zich blijkbaar geen zorgen over het gevaar dat door het huidige onderwijsstelsel ooit is beteugeld: een segregatie tussen openbaar onderwijs op een koopje voor de massa, en particulier gefinancierde privé-scholen voor de elite. Het is daarom op zichzelf terecht dat Wiegel de kat de bel heeft aangebonden: herziening van artikel 23 vereist behalve wat meer historisch besef ook zorgvuldige afwegingen over de toekomstige functie van openbaar onderwijs, de rol van de staat op school, en het karakter van die staat. Dat geldt zeker wanneer de aanpassing van het grondwetsartikel wordt gekoppeld aan de overtuiging dat het `immoreel' is om kinderen op school een religie bij te brengen, zoals de filosoof Herman Philipse meent.

Aan het optreden van Wiegel kan intussen ook iets anders worden afgelezen. Hij mag dan zelf geen steek zijn veranderd, de tijden zijn het nadrukkelijk wel. De populist van gisteren, die hele jaargangen van de sociale academie wist te ontregelen met zijn aanklachten tegen het misbruik van sociale voorzieningen, is vandaag een conservatieve antipopulist, die kanttekeningen plaatst bij de dadendrang van zijn eigen partij. De tijdgeest komt in Nederland nu eenmaal zo radicaal op andere gedachten, dat niets meer is wat het lijkt en alle spelers van rol wisselen. Bekering is hier altijd radicaal, zei de historicus James Kennedy vrijdag in deze krant: ,,Mij fascineert de collectieve bereidheid om ineens afscheid te nemen van oude waarden en zich te bekeren tot nieuwe. Ik zie die forse omslagen als een typisch Nederlands fenomeen.'' Uit de mond van een Amerikaan, gewend aan sociale dynamiek, is dat een opmerkelijk citaat.

Met het VVD-erelid uit Diever staan we zo voor de lachspiegel der Lage Landen, om het thema van de zeventigste nationale Boekenweek te parafraseren. Wat je ook van zijn standpunten vindt, Wiegel laat zien hoeveel we zijn veranderd, en wat het nut kan zijn van een nationaal geheugen dat iets verder teruggaat dan mei 1968 of, inmiddels, mei 2002.

Hoezeer die data, helaas, zijn uitgegroeid tot de doelpalen van ons nationale besef, valt op te maken uit een andere interessante spiegel der Lage Landen, 06/05, de laatste film van Theo van Gogh, over de moord op Pim Fortuyn. Wie een politieke thriller op het scherpst van de maatschappelijke actualiteit had verwacht, komt bedrogen uit: de film heeft het meest weg van een extra lange aflevering uit de jeugdserie Q en Q, inclusief jongensboekdialogen, geestige gadgets (een hinnikend-paard-ringtone!) en een achtervolging door een tropisch zwemparadijs met een geheim agente die al hollend haar broek ophijst. Goed gemaakt, maar ook allemaal nogal, tja, kinderachtig.

Maar als lachspiegel der Lage Landen is Van Goghs film veelzeggend. Omdat het ook zo'n lievige, zelfs sentimentele film is, met een zomers Holland dat wordt bevolkt door oogverblindend mooie jonge mensen, de zoveelste lichting shiny happy people sinds Woodstock. De scheidslijn in Van Goghs Fortuyn-film loopt niet langs politieke, maar leeftijdslijnen: mooie jonge mensen die deugen (ja, ook de Marokkaanse) tegenover corrupte oude mannen die ons land verkwanselen. 06/05 is een late versie van de hippiedroom, een romantisch wereldbeeld dat tegenwoordig wordt uitgevent bij SBS6 en Veronica.

Hans Wiegel speelt er niet in mee. Hij had vast wel een rolletje gewild – als slechterik met sigaar. Maar ja, hij was van gisteren.