De mens is oog geworden in hardboiled geschenk Wolkers

De sneeuw is gesmolten, uit de dode grond komen krokussen op, en in de boekwinkels van Nederland ligt Zomerhitte, het geschenk dat Jan Wolkers schreef voor de 70ste Boekenweek. Het is Wolkers' eerste roman sinds 1984, toen hij zich na de verschijning van De onverbiddelijke tijd vooral wijdde aan essays en poëzie. En hoewel de 79-jarige schrijver van Terug naar Oegstgeest (1965) en Turks fruit (1969) de oudste geschenkauteur uit de geschiedenis van de Boekenweek is, kun je dat niet afleiden uit deze roman. Zomerhitte is een dynamisch verhaal, met een hoog tempo en een moderne misdaadintrige.

De hoofdpersoon van Zomerhitte is een natuurfotograaf die met werkvakantie is op een niet met name genoemd Waddeneiland, `een uitgelezen plaats voor een gruwelsprookje.' Op het naakstrand ontmoet hij een struise godin met een dubbelleven, dat langzaam – en vooral dankzij zijn eigen opmerkingsgave – onthuld wordt. `Je moet nooit te veel weten,' luidt een herhaalde waarschuwing in Zomerhitte. `Wat je niet weet bestaat niet.' Het vredige eiland blijkt een poel des verderfs, waaruit niet iedereen ongeschonden wegkomt. Tot de gruwelijkste passages in Zomerhitte behoort de beschrijving van de door myxomatose aangetaste konijnen, die levend aan stukken gescheurd worden door vraatzuchtige meeuwen. De parallel met de mensenwereld is niet ver weg.

Echt spannend wordt het overigens niet in Zomerhitte, maar ook in de beste romans van Wolkers is plot altijd bijzaak geweest. Wat telt is de stijl en de manier waarop de oude meester zijn favoriete thema's – seks, verval en dood – uitwerkt en verknoopt. Zomerhitte heeft een prachtige openingszin: `Aan het strand vind je soms een door de vloed achtergelaten aantal voorwerpen dat zo perfect van compositie en kleur is dat je onwillekeurig opkijkt of je in de verte niet de schim van Kandinsky ziet wegschuifelen.' Ook daarna laat Wolkers zien waarom hij bekendstaat als een van de beeldendste schrijvers uit de Nederlandse literatuur; niet alleen in natuurbeschrijvingen en gruwelscènes, maar ook in zijn vergelijkingen en observaties. De Artemis van het naaktstrand heeft `korrels zand op haar billen en rug zitten, alsof ze van wellustig schuurpapier gevouwen was'; velduilen zijn `schuw als een maagd met jeugdpuistjes'; en een kolonie gepluimde lepelaars ziet eruit `alsof een afdaling van de studentenweerbaarheid tot aan de nek in het moeras was weggezakt.'

Minder geslaagd zijn Wolkers' dialogen, die in twee soorten voorkomen. De iets te vlotte gesprekken tussen de fotograaf en de femme fatale lijken af en toe een mislukte imitatie van de hardboiled stijl van misdaadschrijver Raymond Chandler: `,,Een bloedend hart, lacht vaak van smart,'' declameerde ik./ ,,Dat is mooi gezegd.''/ ,,Ik zal het voor je op een tegel laten zetten.''/ ,,Jij kan ook het spotten niet laten.''/ ,,Spotten is mijn business''.' Daartegenover staan de wat filosofischer conversaties die de hoofdpersoon heeft met een oude man van de wereld; en die zijn juist braaf – of zelfs onbeholpen – gestileerd, met bruggetjes als `Laten we het over de kunst hebben' en `Over ogen gesproken...'

Over ogen gesproken: die spelen een allesoverheersende rol in Zomerhitte. De roman gaat over kijken en bekeken worden en wemelt van de verwijzingen naar het gezichtsvermogen. De ikfiguur is een fotograaf (`Het is de kunst van het kijken; je wordt als het ware een oog'); hij praat met een oude man die zich specialiseert in `waarnemingen'; aan het begin van het verhaal zien we hoe konijnen de oogkassen uitgepikt worden, halverwege het boek gebeurt een boswachter hetzelfde; en onder de naveltruitjes van de eilandmeisjes knipoogt `het oogje van een biggetje.' Het is niet meer dan logisch dat de fotograaf aanvankelijk blind is voor de gevaren die hem bedreigen.

Gruwelijke verminkingen, meedogenloze natuur, de strijd tegen de aftakeling, de alomtegenwoordigheid van de dood – Zomerhitte leest als een catalogus van het oeuvre van Jan Wolkers. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de expliciete seksscènes, die variëren van een natte droom en een vrouw die zich vingert voor iedere willige voyeur tot twee ouderwetse vrijpartijen waarin man en vrouw elkaar alle hoeken van de kamer laten zien. Niemand zal ontkennen dat dit een vitale roman is, of een bovengemiddeld boekenweekgeschenk. Het zou mooi zijn als Zomerhitte ook de comeback van Wolkers als romanschrijver inluidt. Het slot van de roman (`,,Jij hebt ook nog een geheim.'' [...] ,,Dat komt later.'') doet dat vermoeden, en de titel van een mogelijke opvolger werd door de schrijver gisteren al weggegeven in het NPS-programma `De Avond van het Boek': Waar eens LENTE stond. Voor de echte Wolkersfans is dit trouwens geen nieuws: die weten dat hij dat boek onder het kopje `in voorbereiding' al aankondigde op de schutbladen van zijn romans uit het begin van de jaren '80.

Jan Wolkers: Zomerhitte. Uitg. Stichting CPNB, 92 blz. Tijdens de Boekenweek (9 t/m 19 maart) gratis bij de aankoop van €11,50 aan boeken.