Bijverdienen voor studie 2

Staatssecretaris Rutte wil het collegegeld voor trage studenten verdrievoudigen. Studenten die meer dan anderhalfjaar uitloop hebben, zullen het hoge collegegeld moeten gaan betalen. Hiermee wil Rutte de kwaliteit van het onderwijs verbeteren, want, zo stelt hij, de snelle studenten hebben last van de trage studenten en dat heeft zijn invloed op het onderwijs. Echter, alle maatregelen die kabinetten in de afgelopen vijftien jaar hebben doorgevoerd, hebben niet geholpen om de snelheid van studenten te vergroten. Ook de verhoging van het collegegeld zal daaraan niet bijdragen. Alleen wanneer we als maatschappij een samenleving willen van mensen die zich blindstaren op hun eigen vakgebied, kunnen de plannen van de staatssecretaris een positief steentje bijdragen.

Wanneer alleen de noodzakelijke uitgaven zoals collegegeld, kamer, boeken en voeding worden meegerekend, is de gemiddelde student in het wetenschappelijk onderwijs per maand 575 euro kwijt (Bron: Nibud). Kleding, verzekeringen, lidmaatschappen en uitgaansactiviteiten komen daar nog bij. Hier staat een basisstudiefinanciering van 235 euro tegenover. Zonder bijverdiensten of hulp van ouders is dit nog geen 20 procent van het bestaansminimum (70 procent van het minimumloon). De conclusie dat studenten moeten bijverdienen is dus snel getrokken. Veel studenten proberen dat één dag in de week te doen, veelal in het weekend. Maar zoals andere burgers graag het weekend vrij zijn, willen studenten dat ook wel. Veel studenten kiezen er dus voor om doordeweeks te werken.

Naast dit bijverdienen speelt ook de bredere ontwikkeling die studenten voorstaan een rol. De vakstudie aan de universiteit is een deel van het studentenleven. Het andere deel speelt zich af bij andere disciplines, studentenverenigingen en zelfontwikkeling. Natuurlijk kosten uitgaan en feesten hun tijd, maar studenten die alleen daaraan hun tijd besteden, hebben het ook niet begrepen. De maatschappij (en het kabinet voorop) zegt dat de student 4 of 5 jaar met zijn studie bezig moet zijn en dan klaar moet zijn. Daarbij wordt alleen gedacht aan de financiële aspecten. Vergeten wordt dat de studenten van nu later het denkend en besturend deel van Nederland vormen.