Veel meer mensen zullen `kifaya' zeggen

We moeten erkennen dat de Amerikaanse inval in Irak een belangrijke katalysator is geweest in het (voorzichtige) veranderingsproces in de Arabische wereld, vindt Mona Eltahawy.

De eerste keer dat ik traangas proefde was voor de poorten van de universiteit van Kairo, op 27 februari 1994. Het was ramadan en het was prettiger om tijdens de vasten een reportage buitenshuis te gaan maken dan om op de redactie achter mijn bureau te zitten en mijn thee te missen. We hadden van studenten op de universiteit gehoord dat ze van plan waren op te trekken naar de nabijgelegen Israëlische ambassade om te protesteren tegen het bloedbad in een moskee in Hebron, waarbij een joodse kolonist twee dagen daarvoor 29 biddende Palestijnen had vermoord. Maar de Egyptische oproerpolitie belette hen rijendik om meer dan een paar meter van de campus te komen. Na een korte impasse begon de politie traangas af te vuren om de studenten terug te dringen en gooiden zij op hun beurt stenen naar de veiligheidstroepen.

Een aantal studenten en agenten raakte gewond. Ik wist ongedeerd te blijven en nadat ik enkele studenten had gesproken, begaf ik me naar de redactie om mijn verhaal te schrijven. Zelfs toen ik uren later mijn vasten had beëindigd, kon ik nóg het traangas proeven.

Die smaak kwam weer bij me boven toen ik over de betoging las die onlangs voor de universiteit van Kairo werd gehouden – onder het motto `Kifaya' (`Genoeg') – door de `Nationale campagne voor verandering' in Egypte. De twee betogingen mogen zich op dezelfde plaats hebben afgespeeld, het verschil ertussen is aanzienlijk groter dan alleen elf jaar.

Anders dan de meeste demonstraties die in Egypte hebben plaatsgevonden, was deze laatste, op 21 februari, niet tegen Israël gericht: het ging om Egypte. Er was geen woede en geen traangas. In plaats daarvan stonden Egyptische mannen en – vooral ook – vrouwen met spandoeken die opriepen tot het einde van het 24-jarige bewind van Hosni Mubarak. Het is in Egypte tegen de wet om een betoging te organiseren, dus alleen dat ze daar stonden was al een enorm risico.

Maar dezelfde dag zagen we een nog veel grotere betoging in Beiroet, die met de geleende leuze `Kifaya' ook tot verandering opriep. De Egyptenaren zeggen `genoeg' tegen de wurggreep van Mubarak op hun land; de Libanezen zeggen `genoeg' tegen de wurggreep van Syrië op dat van hen. `Kifaya' geeft volmaakt weer hoezeer de Arabische wereld haar buik vol heeft van alles wat ze zich jarenlang heeft laten welgevallen.

Deze twee betogingen zullen niet de laatste zijn. We zullen nog veel meer mensen `kifaya' zien zeggen, want de Arabische wereld is niet immuun voor verandering. Jarenlang hebben de Arabische regeringen zich gedragen alsof de mensen niet wisten wat dat woord betekende, alsof de bevolking van hun landen er nooit genoeg van zou krijgen om weinig kansen en nog minder rechten te hebben.

Wat was de aanleiding voor al dit gepraat over verandering? We zouden tegen onszelf liegen als we niet erkenden dat de Amerikaanse inval in Irak een belangrijke katalysator is geweest.

Ik heb in New York tweemaal meegelopen in een betoging tegen de oorlog in Irak, die naar mijn mening niet werd gevoerd in naam van democratie of verandering. Ik ben ontzet over het geweld en het aantal doden en heb vaak geschreven over het recht van de Irakezen om niet te leven onder een bezetting - door Amerikanen of rebellen. Maar ik betwijfel of er zoveel over verandering in de Arabische wereld zou worden gesproken als Amerika op dit moment niet in Irak zou zijn.

Het is niet onmogelijk om het effect van de oorlog in Irak op de rest van de Arabische wereld te bespreken zonder die oorlog te steunen. En het is ook niet onmogelijk om over democratie en verandering in de Arabische wereld te praten zonder geloof te hechten aan de borstklopperij van de regering-Bush over steun aan de vrijheid. Opeenvolgende Amerikaanse regeringen, waaronder ook deze, hebben verscheidene Arabische regeringen gesteund in het volle besef van hun ondemocratische praktijken.

Zo'n debat dient te gaan over de Arabieren en hun welzijn. Maar al te vaak is de politieke discussie in de Arabische wereld defensief, of uitsluitend gericht op Amerika en Israël. In plaats van na te denken over onze problemen, wijzen we er liever op wat Amerika verkeerd doet. Het wordt tijd dat we zelf onderwerp van onze gesprekken worden en dat we zonder in het defensief te gaan bespreken wat er moet veranderen.

Mubaraks aankondiging dat zijn land later dit jaar de eerste meerpartijenverkiezingen zal houden was een goed begin van de discussie, maar deze is nog lang niet afgelopen.

Mona Eltahawy, geboren in Kairo, is columniste van Asharq al-Awsat, een Arabische krant in Londen. Zij woont in New York. © New York Times Syndicate