Slowaakse politiek siddert voor archieven

In Slowakije gaan de archieven van de vroegere communistische geheime dienst open. De eerste verrassingen zijn er al – en er komen nog meer.

Het Slowaakse politieke establishment trilt al maanden op zijn grondvesten door één man, Ján Langoš, oud-minister, oud-parlementslid en tegenwoordig het geweten van de natie.

Langoš staat aan het hoofd van het Instituut voor Volksherinnering (UPN), dat het archief van de communistische geheime dienst beheert. In november is een begin gemaakt met de openbaarmaking van namen van voormalige collaborateurs.

De dossiers over hoofdstad Bratislava zijn over enkele maanden aan de beurt. En dat, zo verwacht iedereen, zal pas echt vuurwerk opleveren.

Maar ook nu al zijn de gevolgen merkbaar. Een minister (van Regionale Ontwikkeling) en een parlementslid blijken op de lijst te staan, met achter hun naam de toelichting `agent'. De minister, Ján Hurný, is afgetreden, maar wil naar de rechter stappen. Parlementariër Jozef Banáš heeft zijn jeugdzonde toegegeven, maar zegt nooit iemand te hebben geschaad.

Hurný en Banáš zijn beiden lid van de regerende christendemocratische partij SDKÚ. Het was juist de SDKÚ die het groene licht gaf voor het instituut van Langoš. Nog wranger voor de christelijke partij is dat ook twee bisschoppen als voormalige agenten zijn ontmaskerd. De Slowaakse communistische partij, erfgenaam van het regime, is tot nu toe zo goed als buiten schot gebleven.

,,De politiek heeft zelf voor dit instituut gekozen'', zegt UPN-hoofd Langoš. Hij heeft daarbij een flink handje geholpen: Langoš was begin jaren negentig minister van Binnenlandse Zaken (nog van Tsjechoslowakije) en zat later jarenlang in het Slowaakse parlement. Hij was al die tijd de drijvende kracht achter de wetgeving die het UPN mogelijk maakte. ,,De gevolgen van die wetgeving zijn onderschat. Ik ben er altijd heel open over geweest, maar er is niet goed gelezen.'' De missiedrang van Langoš stuit op veel verzet. Politici klagen steen en been over de moraalridder. En aan de vooravond van zijn benoeming tot UPN-baas werd zijn vrouw in elkaar geslagen in een poging tot intimidatie. Maar het heeft hem niet minder standvastig gemaakt. ,,Ik wist waaraan ik begon.''

In heel Oost-Europa worden geregeld pogingen ondernomen om alsnog met het communistische verleden af te rekenen – vorige week nog kondigde de Roemeense president Traian Basescu aan dat de dossiers van Ceauşescu's Securitate nog voor het eind van dit jaar openbaar worden gemaakt – maar nergens gebeurt dat zo effectief als in Slowakije en, in tweede instantie, in Tsjechië. Dat komt, zegt Langoš, omdat in 1989, na de val van de Muur en de machtsovername door dissidenten, in één klap alle medewerkers van de Tsjechoslowaakse geheime dienst zijn ontslagen. ,,Ik heb zelf als minister nog tienduizenden handtekeningen gezet om dit voor elkaar te krijgen.'' En daardoor heeft de geheime dienst nooit tijd gehad om archieven te vernietigen of te manipuleren.

Langoš trekt de vergelijking met Polen, waar op dit moment grote commotie is over een uitgelekte, incomplete lijst met, kris kras door elkaar, de namen van collaborateurs en slachtoffers van het Poolse communisme. Polen was destijds het eerste Oost-Europese land dat de overgang naar de democratie maakte en anders dan elders werd het initiatief hiertoe genomen door de communisten zelf. Het was een onderhandelde, geleidelijke overgang. Het verrassingselement ontbrak. ,,In Polen zijn alleen de rotste appels verwijderd uit de geheime dienst, de rest mocht blijven zitten'', zegt Langoš. ,,De Polen hebben daardoor nu een veel groter probleem dan wij, want het is goed mogelijk dat er met documenten is gerommeld. Onze geheime dienst besefte tot op de laatste minuut niet dat zij zou verdwijnen en ondernam geen actie.''

Langoš zegt zeker te weten dat zijn dossiers compleet en waarheidsgetrouw zijn. En als er iets ontbreekt, kan het altijd worden teruggevonden, want de communisten waren fanatieke archivarissen ,,De geheime dienst bewaarde van elk dossier meerdere kopieën'', zegt Langoš. Er ging altijd ook een kopie naar het machtscentrum in Praag. ,,En in de jaren tachtig is ook nog eens alles in computers gezet. We kunnen echt alles reconstrueren.''

De namenlijsten die het UPN publiceert zijn heel precies. Achter elke naam staat of de persoon agent was, informant of een potentiële kandidaat voor een van deze functies. Agenten moesten tekenen voor hun activiteiten en deden volgens Langoš mee op basis van vrijwilligheid. ,,Zij wisten precies waar ze aan begonnen.'' Informanten werden daarentegen nog wel eens gechanteerd.

Slowakije heeft geen wetten om oud-collaborateurs uit publieke functies te weren. Maar voor Langoš is vooral belangrijk dat er duidelijkheid komt over wie voor het regime heeft gewerkt en op welke wijze. ,,Slachtoffers hebben het recht om te weten waarom ze zijn tegengewerkt of vervolgd.''

En zo ontdekte de Slowaak Kamil Renyi wie hém jarenlang dwarsboomde: Ján Hurný, de nu afgetreden minister. Hurný en Renyi waren in de jaren tachtig verbonden aan een geologisch instituut. De geheime dienst vermoedde dat Renyi wilde emigreren en Hurný informeerde over de gangen van zijn collega. Het werd Renyi verboden om op vakantie naar Joegoslavië te gaan ,,Ik had destijds geen idee wie over mij had geklikt'', aldus Renyi in dagblad Lidové noviny. ,,Maar Hurný was altijd een populaire kandidaat.''