Pit(loos)

Het afgelopen weekend was ik soms blij dat mijn vader niet meer leefde. Hij kon weifelmoedig presterende Nederlandse sportlieden slecht verdragen. ,,Geen pit'', placht hij zijn afkeer van `onze landsaard' samen te vatten. Geen volk van vechtjassen, draufgängers en bikkelaars. Generalisaties, wierp ik dan zwakjes tegen, want in mijn hart gaf ik hem niet helemaal ongelijk.

Tijdens de Davis-Cupontmoeting van het Nederlandse tennisteam zou mijn oude heer de tv-knop hebben omgedraaid. ,,Niet om aan te zien.'' Om een paar uur later voorzichtig te informeren naar de afloop – hij had vermoedelijk al die tijd aan niets anders gedacht. Toch gewonnen? ,,Hoe bestaat het'', zou hij voldaan hebben gezegd, op een toon alsof zijn boze boycot de spelers langs bovennatuurlijke weg toch nog tot `méér pit' had geïnspireerd.

Op welk punt zou hij de Nederlandse tennissers de rug hebben toegekeerd? Vermoedelijk al tijdens het dubbelspel van zaterdag.

Nederland speelde tegen Zwitserland, een land dat zonder Roger Federer een tennisnatie van de derde rang is. In het dubbelspel waren Wessels en Van Scheppingen zó dichtbij de zege – de eerste twee sets gewonnen en drie matchpoints – dat het een fantastische prestatie was toen ze alsnog de bietenbrug opgingen.

In het zicht van de zege werden de knieën van Van Scheppingen slap als jonge sla, terwijl Wessels zich steeds meer gedroeg als iemand die geen zin meer had om het dikke boek uit te lezen. (Mijn metaforen moeten met de Boekenweek te maken hebben.)

Geen pit, inderdaad.

De volgende dag moest Sjeng Schalken het karwei afmaken. Tegen ene Stanislas Wawrinka, een naam die eerder aan illegale wapenhandel in Oost-Europa dan aan toptennis doet denken. Hij was negentien jaar en had nog nooit van een belangrijke tegenstander gewonnen. Komaan, dacht Sjeng, de jeugd verdient ook een kans – en hij verloor de eerste set maar meteen met 6-1.

Wat zich daarna ontvouwde, spotte met alle wetten van de tennislogica. De spelers misten wat ze moesten raken, en andersom. Ze verloren om de haverklap hun servicegames en ze verkwistten hun matchpoints alsof het borrelnootjes waren. Ze speelden de slechtste spannende partij die ik ooit heb gezien.

Van Schalken was ik op het punt van wispelturigheid wel het een en ander gewend – zijn Amerikaanse collega's noemen hem niet zomaar `Shaky Sjeng' – maar hier overtrof hij zichzelf. Hij liep erbij als iemand die geen moment in zijn eigen kansen geloofde. Het hoofd gebogen, de schouders afhangend, om de lippen af en toe een bitter lachje vol zelfhaat.

Maak er maar een einde aan, zei hij tegen Wawrinka, ik heb nu lang genoeg geleden. Ik wil dit leven niet meer, deze ondraaglijke spanningen, die oranje idioten op de tribune, zo'n mafkees van een bondscoach, hou je bek Bogtstra, of ik sla 'm dicht. Schalken had het contact met de buitenwereld verbroken. Hij dreef alleen nog maar rond in zichzelf, een drenkeling zonder levenswil.

En zonder pit dus, zou mijn vader ten overvloede hebben vastgesteld.

Maar hij won uiteindelijk wél. Bestaan er dan pitloze pitten? In de Nederlandse sportwereld wél.