`Mijn kusjes niet afvegen hoor', roept de dichteres

De Zuid-Afrikaanse Antjie Krog en de Vlamingen maakten indruk op de Nacht van de Poëzie. Astrid Lampe redde de Nederlandse eer. Door wellustig aan de woorden te likken.

Slotdichter bij de Nacht van de Poëzie, al bleek van de slaap, was Vrouwkje Tuinman, gekleed in klassieke schooljuf-outfit: zware bril en bloemetjesjurk met ronde hals en pofmouwen. Ze sloot af met een passend gedicht over een dwingende minnaar. `In Brussel laat je mij je kut zien', gebiedt de minnaar. Het gedicht eindigt met: `Je neemt de hele nacht. 's Ochtends mag het licht weer aan.'

Zo was het, zaterdag in Utrecht. De 25ste Nacht van de Poëzie kende een indrukwekkende rij dichters van faam: Campert, Nooteboom, Komrij, Kopland, Rawie, Krog. Vorig jaar kreeg u een stroom debutanten en volgend jaar weer, maar dit jaar hebben we gekozen voor grote namen, hield presentator Piet Piryns een uitpuilend Vredenburg voor. Deze veilige keuze droeg bij aan een jubileumeditie met weinig uitschieters.

Een kleine surprise was het optreden van Bart Moeyaert. Groot in België, vooral als romancier, hier relatief onbekend. Zijn beheerst lichtvoetige verzen met een kleine pointe voldeden perfect aan de lastigste eis van de poëzievoordracht: het onmiddellijk effect. Hij dichtte over een man en vrouw die elkaar u noemen: `U is het kortste woord om van elkaar te houden.' Dat wist Huygens al, die ooit een avondje korte liefdesgedichten schrijven won van Hooft met het pregnante `U nu!'.

Het kan de tongval zijn, maar ook de andere Vlamingen vielen op. Erwin Mortier sloot zijn teder gezegde en rijkelijk van metaforen voorziene gedichten steevast af met het trekken van rare en meewarige gezichten. Die zelfspot zit ook in zijn poëzie. ,,Ik heb twee gedichten over mijn lichaam. U vraagt zich af waarom?'' Met verwondering bezag de dichter zichzelf, als een vreemd ding. `Dat het mij nog altijd meezeult. Nooit eens meesmuilt. (...) Dat het mij nog steeds in slaap laat vallen, me als een hangmat in mijn eigen knoken opvangt'. Ook Antjie Krog, de Zuid-Afrikaanse die stormen kan ontketenen en je toe kan fluisteren als een intieme vriend, imponeerde met vijf lange gedichten over haar lichaam, getiteld Menopauze. `Het is waar dat ik mijn oog laat vallen op een rimpelloze huid/ het is waar dat ik voor een afgrond sta.'

De Nederlandse kopstukken brachten weinig beroering. Komrij mompelde zich door zijn gebruikelijke act: ik schreef dit wel, maar waarom eigenlijk? Kopland gaf wat kleur aan zijn laatste bundel. Deelder spuwde zijn gedichten uit, maar stond ook trots als een klein kind te hannesen met zijn verzameld werk in cassette.

De enige die niet geheel verbleekte bij het optreden van Krog was Leonard Nolens, ook Vlaming. Juist deze zich als een kluizenaar afficherende dichter slaagde erin de harteklop van zijn poëzie luid op te laten klinken. Bronzen stem, bezwerende regels: `Wij waren weinigen/ wij waren sommigen. (...) Wij forceerden een deur in het struikgewas.' Hij las uit Bres, een werk in wording over de grootste geesten van zijn generatie, die ook al werden geteisterd door een existentieel schisma. `Wij leefden in gedachten en dachten dat wij leefden.'

Dit traditionele dichtersthema beheerste ook de voordrachten van Benali en Rawie. Benali was de enige dichter onder de dertig – de gemiddelde leeftijd lag op 54 jaar. Hij las voor uit Panacee, zijn nog te verschijnen roman in verzen, die draait om de vraag wat belangrijker is: leven of lezen. Rawie, die er al bij was op de eerste Nacht in 1980 en toen nog olijke versjes schreef, stelde nu illusieloze vragen als: `Wat bleef er over van mijn stoutste dromen?' Hij gaf er zelf het antwoord bij: `We zitten en roken en hebben geen deel aan het grote geheel'.

Te oordelen aan de lachsalvo's was Frank Koenegracht de publieksfavoriet. De Leidse dichter was ook grappig, met zijn tegendraadse miniatuurtjes en de aankondiging deze Nacht alleen gedichten die goed aflopen te willen voorlezen. Hij las Vroege sneeuw, dat begint met: `In plaats van op de man te schieten/ begon het vuurpeleton allerlei vragen te stellen/ zoals: waarom doe je ons dit aan'.

Koenegrachts optreden toonde de onzin van de lange rij entre'acts aan, die de Nacht nodeloos rekten. De poëzie is entertainend genoeg, en de Nacht bood afwisselend denkende, empathische, experimentele en kritische dichters. Zo sprak Ramsey Nasr, trillend van ingehouden woede, een honend gedicht uit over de affaire rond Naïma, de Vlaamse moslima die het werken onmogelijk wordt gemaakt. Haar baas Rik ontvangt kogelbrieven waarin gedreigd wordt de producten van zijn delicatessenbedrijf met kwik te vergiftigen – ondertekend door N.V.V. (Nieuw Vrij Vlaanderen).

Omlijstende optredens van Joop Visser en Kees van Kooten hadden volstaan. Beide kwamen met prachtige ready-mades. De eerste had een lied met louter Cruijff-citaten, de tweede een cursus lijmrijmen, met sonnetten opgebouwd uit krantenkoppen. Maar wie tot vier uur in de ochtend naar gedichten luistert, kikkert echt niet op van een tapdanstrio op synthesizermuzak.

Nee, dan liever dichters als Astrid Lampe, die wellustig likkend aan de woorden haar zinnen prijsgaf, turend door de haren voor haar ogen en beide handen in de lucht houdend alsof ze een koor dirigeerde. Dat past bij haar veelstemmige poëzie, die klinkt alsof ieder koorlid naar goeddunken een regel inzet. Als enige dichter maakte ze dan ook gebruik van de mogelijkheid te switchen tussen de twee microfoons op het katheder. `Mijn kusjes niet afvegen hoor', riep ze naar links. En naar rechts: `Als tortel heug je je dit.'