Zwitserse artsen versnellen sterven vaker dan Nederlandse

Bij ruim 40 procent van de stervende Zwitsers stoppen artsen een behandeling, of beginnen ze niet aan een behandeling, waardoor de patiënt eerder sterft. In Nederland gebeurt dat bij 30 procent van de stervenden. In België bij 27 procent, in Denemarken 23 procent, in Zweden 22 procent en in Italië bij maar 6 procent.

Nederlandse, Zwitserse en Belgische artsen beslisten in 80 tot 95 procent van de gevallen samen met de patiënt of diens familie, terwijl noordelijker en zuidelijker in Europa met ongeveer 70 procent minder vaak het geval was.

De meest voorkomende levensbeëindigende maatregel was het stoppen met medicijnen (38 procent in Nederland, gemiddeld 44 procent in alle onderzochte landen). Daarna kwam het besluit om te stoppen met het kunstmatig toedienen van vocht en voeding (25 procent in Nederland, gemiddelde 22 procent). Veel zeldzamer was het stoppen met beademen (6 procent), met chemotherapie (6 procent), niet opereren (6 procent) en het beëindigen van nierdialyse (3 procent).

Deze cijfers komen uit een onderzoek naar medisch handelen rond het levenseinde in zes Europese landen. Tot nu toe was dat alleen goed uitgezocht in Nederland en België (Archives of Internal Medicine, 28 febr). Om meer zicht te krijgen op de situatie rond levensbeëindiging in Europa is in 2000 het European End-of-life project (EURELD) opgezet, waaraan ook onderzoekers van drie universitaire centra in Nederland meewerkten. Ruim 20.000 willekeurig uit de overlijdensregisters getrokken sterfgevallen in België, Denemarken, Italië, Nederland, Zweden en Zwitserland zijn bestudeerd. De bij die sterfgevallen betrokken artsen kregen een lijst met vragen. Een aantal vragen ging over een eventueel besluit om de dood te versnellen of om het leven van de patiënt niet verder te rekken. Als dat inderdaad het geval was, moest de arts ook zeggen hoe dat was gegaan. Vanwege de gevoelige materie waren alle vragen zo neutraal mogelijk gesteld; termen als `euthanasie' of `physician-assisted suicide' waren vermeden. De antwoorden zijn volledig anoniem verwerkt, meestal door tussenkomst van een plaatselijke notaris. Ondanks die voorzorgsmaatregelen was het percentage niet-reagerende artsen hoog, vooral in Italië. Daar was de respons maar 44 procent, vergeleken met 75 procent in Nederland.

Veel patiënten denken dat niet meer behandelen leidt tot een meer natuurlijke en waardige dood, in plaats van een medisch gerekt stervensproces. Dat is volgens de onderzoekers in het algemeen een misvatting. Daarom willen ze in een vervolgonderzoek kijken naar omstandigheden waarin de beslissing om niet te behandelen een patiënt helpt om vredig te sterven.