Vertél de geschiedenis...

Ergens tussen de versimpeling van de historie tot een nationale feel good movie en de spaanders ervan die onderwijskundigen aan leerlingen voorzetten, moet het verhaal van de Nederlandse geschiedenis zijn plaats kunnen vinden.

De historicus, schreef Ernst Kossmann, ,,heeft aardigheid in twijfel. Het is de menselijke ontoereikendheid waarin hij zich thuis voelt.''

Op school, zei Jozias van Aartsen onlangs, ,,moet de grondtoon van de natie worden onderwezen. Vrijheid en tolerantie moeten aan bod komen, maar ook de Deltawerken, Cruijff en Van Basten.''

Ze spreken allebei over geschiedenis, de historicus en de politicus, maar je krijgt niet het gevoel dat ze het over hetzelfde hebben. Laten we wel wezen, vrijheid en tolerantie als grondtoon van de natie, dat is natuurlijk veeleer uitgangspunt voor een inburgeringscursus anno 2005 dan een realistische weergave van de Nederlandse geschiedenis, waar intolerantie, bigotterie en (godsdienstig) geweld bladzij na bladzij de boventoon hebben gevoerd. De geschiedenis, zei de historicus Kossmann al, is een echoput. Al wat eruit opklinkt, hebben wij er vanuit het heden zelf eerst ingeroepen.

Toch is het appèl van Van Aartsen dankbaar opgepikt door beleidsmakers, zoals voorzitter Fons van Wieringen van de Onderwijsraad, die de minister onmiddellijk adviseerde een culturele canon op te stellen om de ,,verwarring'' te bezweren waar Nederland in verkeert. De vaderlandse geschiedenis als valium. Je hoeft niet eens zo ironisch te zijn als Ernst Kossmann om daar je bedenkingen bij te hebben.

In deze krant presenteerden de historici Jan Bank en Piet de Rooy vorig jaar een tableau van ,,wat iedere Nederlander van de geschiedenis móét weten''. Het is inmiddels een boekje geworden, Kortweg Nederland, met de iets minder canonieke ondertitel wat iedereen wíl weten over onze geschiedenis. De vetgedrukte woorden in de tekst zijn de mijlpalen die iedereen moet willen weten: `hunebedden', `Friezen' (en niet de Bataven, die toch eeuwenlang onze gedroomde voorouders waren), `gilde', `Erasmus', `beeldenstorm', `Willem van Oranje', `rampjaar 1672', `Franse tijd', `stoommachines', `NSB', `Anne Frank' (en niet het verzet), `multiculturele samenleving' en `Pim Fortuyn'.

Het is al heel wat aardiger dan de thematische aanpak van de geschiedenis die onderwijskundigen hebben gepredikt en die een generatie scholieren de afgelopen jaren over zich uitgestort heeft gekregen. Die didactische dictatuur heeft geleid tot lesmethoden die leerlingen in hoofdstuk 1 leren `omgaan met structuurbegrippen' zoals `bron en vraagstelling', of `inleving en standplaatsgebondenheid', of `feit en objectiviteit'. Dat is een remedie om de aardigheid in geschiedenis voorgoed te verleren.

Maar het is de vraag of het historisch benul gestimuleerd wordt met de keurige samenvatting in abstracties als `De Lage Landen worden gekerstend (tot het christelijk geloof gebracht)', uit Kortweg Nederland. Als er één manier is om de belangstelling voor geschiedenis, Nederlands én internationaal, levend te houden, dan in het goed vertelde verhaal.

Ergens tussen de versimpeling van de historie tot een nationale feel good movie en de spaanders ervan die onderwijskundigen aan leerlingen voorzetten, moet het verhaal van de Nederlandse geschiedenis zijn plaats (weer) kunnen vinden. Dat moet dan worden verteld met voldoende gezag om te overtuigen en met voldoende twijfel om ruimte te laten aan vragen die elke volgende generatie bedenkt. Het moet vol details zitten die zich als klitten in het geheugen vastzetten – een ridderleger dat wegzinkt in een Drents moeras, of een politicus die zich ziek meldt nadat hij de revolutie heeft aangekondigd. Het moet doorspekt zijn met fameuze volzinnen, die van generatie op generatie kunnen worden overgeleverd – `Dan liever de lucht in!' Anders wordt de geschiedenis hooguit een verzameling schwere Wörter en is een quiz geen spelletje maar een overhoring. En dat is ook een remedie tegen de liefde.

Zij schreven het boek `Het vooroudergevoel' en stelden bijgaande quiz samen.