Teloorgang van een vriendschap

In deel 5 van de serie Moderne Europese Klassieken deze maand C'eravamo tanto amati van Ettore Scola.

Een dierbaar mozaïek vol wrange lieftalligheid.

De toekomst ging voorbij en wij hebben het niet eens gemerkt - daar draait het om in de mooiste film van Ettore Scola: C'eravamo tanto amati ('Wij hielden zoveel van elkaar', 1974) vertelt het verhaal van Antonio, Nicola en Gianni, drie gezworen kameraden, samen gestreden tegen de nazi's, samen overleefd, dus samen voor altijd. Althans, dat dachten ze. Maar 'vriendschap voor altijd' duurt zolang er geen tijd is voor een definitie van 'voor altijd.'

De centrale uitspraak over de onopgemerkt vervlogen toekomst legde Scola in de mond van Gianni, het personage dat 'altijd' aan scherven breekt. En nog eens. En opnieuw.

De eerste breuk is er een van bekende snit: Gianni moet Antonio vertellen dat hij zijn meisje afpakt. Zij houdt van hem en hij van haar, niets aan te doen. Gianni's regenjas is doorweekt, de zware natte vlekken op zijn schouders onderstrepen zijn wanhoop: kiezen voor de liefde is kiezen tegen de vriendschap. Onder hun opgewonden gesprek, het speelt zich af in een sjofele operatiekamer, legde Scola een hartenklop. Als Gianni's boodschap tot Antonio doordringt, klinkt een zachte knak. Er is een hart gebroken.

Het hart van Antonio, natuurlijk. Of is het dat van Gianni? Of breekt hier het hart dat ze met zijn drieën hadden, als vrienden die samen wilden sterven voor hun land, die samen overleefden, die samen een betere wereld gingen organiseren?

Harten zijn sterk, leert deze film. Je kunt ze breken en weer breken en dan nog houden ze niet op met van iemand te houden. Of van iets. Of van vanalles.

C'eravamo tanto amati is een film die van liefde overborrelt. Hij verhaalt van de kameradenliefde tussen de drie vrienden. Hij geeft lucht aan Ettore Scola's liefde voor dit soort mannen, opgewonden standjes, egocentrisch, gepassioneerd en aanbiddelijk. Even ongegeneerd belijdt Scola zijn nostalgie voor het naoorlogse Italië, met als middelpunt het armeluis-eethuis van de 'halve porties-koning'.

En overal omheen drapeert Scola zijn hartstocht voor de Italiaanse cinema. Hij droeg de film op aan Vittorio de Sica en wijdt een cruciale scène aan diens Fietsen- dieven. Hij maakt een revérence naar Michelangelo Antonioni. Hij herschiep de filmset van La dolce vita, inclusief een gastoptreden van Federico Fellini en Marcello Mastroianni aan de rand van de Trevi-fontein.

Maar dit gaat te snel, het verwaarloost de rijkdom aan verhaalvonken van C'eravamo tanto amati. Scola filmde een glazen bol vol onthaast gedwarrel, legde een dierbaar mozaïek vol wrange lieftalligheid, sproeide uitbundig met melancholie.

Jonge partizanen

De vriendschap van het drietal begint waar de moderne Italiaanse cinema is begonnen: in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog. Gefilmd in de heftige grijze stijl van het legendarische neorealisme van helden als Roberto Rossellini, vechten drie jonge partizanen zij aan zij en vieren ze gedrieën de bevrijding.

Alles zal anders worden, om te beginnen de perfide Italiaanse politieke verhoudingen. Al snel blijkt zo ongeveer alles bij het oude te blijven.

En de drie vrienden? Terwijl Scola het verstrijken van de tijd suggereert door zijn filmstijl te verleggen van het neorealisme naar de commedia all'Italiana van de vroege jaren vijftig, worden hun discussies over hun idealen schaarser en hun levens gewoner. De arbeider Antonio buffelt als verpleger in een overvol Romeins ziekenhuis, terwijl de intellectueel Nicola zich zelfgenoegzaam veroordeelt tot een zolderkamerbestaan als bezeten beroepscinefiel. Gianni, de advocaat, verdwijnt uit het zicht van de beide anderen. Na een oprechte flirt met een linkse praktijk kiest hij voor macht, welstand en een verstandshuwelijk zodra hem die in de schoot worden geworpen. En toch blijven de drie vrienden verklit, al is het maar in de geest, want ze delen hun grote liefde: Luciana.

Och Luciana. Zo alledaags mooi. Zo aards, zo begeerlijk. Zo in verwarring. Luciana draagt de mooiste scène van de film, die van de pasfoto-automaat. Diep bemind door Antonio, koos Luciana voor een verloving met Gianni, man van haar dromen en naar eigen zeggen onhoudbaar verliefd op haar. Als hij haar uit opportunisme opzij heeft geschoven, accepteert ze troost van Nicola. Het helpt niet.

Scola weet beter dan haar wanhoop breed uit te meten. Afstand komt harder aan. Een pasfoto-automaat ratelt, een fotostrookje kruipt eruit: op het eerste plaatje poseert Luciana, op het tweede loopt haar mascara uit, op het derde huilt ze zwarte tranen en op het vierde fotootje verbergt ze haar gezicht in haar handen. De kruk achter het gordijntje is leeg, Luciana vluchtte de donkere stad in. Dat is afgrondelijk verdriet, zo doe je dat, als je Ettore Scola heet.

Blinkendblauwe Mercedes

Nog één keer zijn ze allen samen: Luciana stapt op de bus, uitgewuifd door Antonio en Nicola. Gianni staat er ook, verdekt opgesteld. De camera stijgt op. In vogelvlucht zien we de personages huns weegs gaan, elk een andere kant uit, tot het pleintje leeg is. Scola houdt het shot aan, kleur glijdt in de zwartwitfilm: een prachtig filmisch equivalent voor een tijdsprong van een jaar of tien.

De vrienden zijn mannen nu. Gianni is steenrijk. En hij is een gevangene. Van zijn schoonfamilie, zou je zeggen, van de met ruim bemeten spot neergezette projectontwikkelaar (zo'n 120 kilo zwetend overgewicht in een jas met een bontkraag) en van diens onnozele dochter, Gianni's echtgenote. Ze begint als een karikatuur uit een zwijmelfilm, maar allengs erkent de film haar als een voldragen tragische heldin, want Scola is geen cynicus.

Echter, Gianni is zijn eigen cipier. Hij wil het niet weten dat hij is wie hij geworden is, verankerd in de klasse die Italië bederft: een uitbuiter die megalomane bouwprojecten ontwikkelt en alleen maar geld heeft om er meer van te maken. Iemand die zijn beste vrienden niet meer onder ogen kan komen.

En juist dat gebeurt, alweer jaren later. In een au fond diep-dramatische en toch luchtig geënsceneerde scène lopen Gianni en Antonio, inmiddels oudere mannen, elkaar tegen het lijf. Antonio neemt voetstoots aan dat Gianni, net als iedereen die hij kent, berooid is. Gianni doet berustend.

Hij houdt voor zich dat die blinkendblauwe Mercedes zijn eigendom is.

Er gaat gegeten worden, natuurlijk, als er iets te vieren valt dan wordt er gegeten. Gedrieën bij de halve porties-koning, net als vroeger. Met geschreeuw van Nicola en gevecht van Antonio en Gianni die zich bijna verraadt door niet drie pakjes maar drie sloffen sigaretten te bestellen. Weer heeft hij de kans om zijn vrienden te bekennen dat hij is geworden wat ze vroeger collectief verachtten: rijk en de baas. Opnieuw lukt het hem niet om de scherven van zijn leven op te rapen, laat staan ze te lijmen. Hij schreeuwt het één keer: 'Ik ben stinkend rijk!'

Maar dat is bij dronkemansgebral, Antonio noch Nicola slaat er acht op.

Durft hij het niet of kan hij het niet? Het beeld wordt zwartwit, er dringt zich een onderdrukte herinnering op: Gianni zou gesneuveld zijn zonder deze mannen, en juist hen heeft hij laten zakken. Zijn schaamte wordt onverdraaglijk.

Hé, daar is Luciana. Gianni staat, zij kijkt op. Ze blijkt, allang, getrouwd te zijn met een van zijn beide vrienden. Zijn gezicht vertrekt smartelijk. Nu ligt zijn laatste droom aan duigen. 'Ik heb al die jaren aan je gedacht', brengt hij uit. Luciana kijkt hem vriendelijk aan. 'Tsja, nou... ik niet.'

De toekomst is voorbij.

Volgende maand: L'invitation van Claude Goretta.