Stefan Themerson en het gevaar van de perfecte logica

In twaalf afleveringen schrijft schaker Hans Ree over de grote geesten die zijn leven hebben beïnvloed.

Aan een Poolse kunstenaar vroeg ik of Stefan Themerson (1910-1988) in zijn geboorteland Polen nog bekend was. 'O ja, hij is hier heel beroemd, hoewel niet bij veel mensen', zei de kunstenaar, die Tomasz heette, net als de ongelovige Thomas uit de bijbel die door Themerson eens is voorgedragen als schutspatroon van de filosofen.

'Er is hier ook een Themersonarchief, misschien moet je daar eens gaan kijken', zei de Poolse Tomasz. Dat 'hier' was Katowice, ongeveer

300 kilometer van Warschau, waar wij waren. Het zou een lange treinreis zijn, maar ik zou er wel tijd voor hebben. Ik zou vast veel interessants zien in dat archief, maar om een stuk over Themerson te schrijven zou ik dat eerst weer moeten vergeten, en voor dat vergeten was niet genoeg tijd. Dat was in ieder geval de reden die ik mezelf gaf om in Warschau te blijven.

Een paar dagen later kwam Tomasz langs met een Poolse uitgave van Themerson. Het was een verzamelbundel uit 1980, waarin verschillende romans en essays van hem waren opgenomen. De meeste titels kon ik wel thuis brengen toen ze voor me vertaald werden, maar niet allemaal. Uit de encyclopedie van familieavonden, was dat ook een geschrift van Themerson? Ik kon geen enkele Engelse of Nederlandse titel bedenken die daar op leek, en nu nog steeds niet.

Hau! Hau! Czyli Kto zabil Ryszarda Wagnera? was makkelijk, ook zonder vertaling. Dat moest het boek zijn dat in het Nederlands Woeff Woeff of Wie vermoordde Richard Wagner? heet. Grappig om te zien dat Poolse honden hau! hau! zeggen, veel minder vriendelijk dan ons woef woef, alsof de eeuwenlange strijd voor de Poolse onafhankelijkheid de honden daar krijgshaftig heeft gemaakt. Krijgshaftigheid was voor Stefan Themerson overigens een van de meest onprettige eigenschappen van de mens.

Dat Themerson in Polen inderdaad bekend was en niet eens bij weinig mensen, bleek me uit de oplage die in het boek vermeld was: 20.230 exemplaren. In Engeland, waar hij sinds 1942 woonde, en in Nederland, dat hij vaak zijn adoptieland noemde, heeft Themerson altijd trouwe bewonderaars gehad, maar ik denk dat de oplage van zijn boeken er zelden meer dan een paar duizend is geweest.

Experimentele films

In Polen was Stefan Themerson, nadat hij zijn studies in natuurkunde en architectuur had opgegeven, vooral een maker van experimentele films en een schrijver van kinderboeken. Zijn vrouw Franciszka schilderde en tekende en werkte mee aan de films. Eind 1937 gingen ze naar Parijs, het Mekka van de kunst, met de bedoeling om zich daar definitief te vestigen. Dat het anders zou gaan kwam door de oorlog.

Vlak na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 door de Duitse aanval op Polen meldden Stefan en Franciszka zich als vrijwilligers bij het Poolse leger in Frankrijk. Franciszka kwam als medewerker van het Poolse Ministerie van Informatie al in 1940 in Londen terecht, Stefan volgde in 1942. In Frankijk was hij vooral dichter geweest. In Engeland werd hij romanschrijver, filosoof en vanaf 1948 ook uitgever.

Aan de vormgeving van de boeken van de kleine Gaberbocchus Press van de Themersons, genoemd naar de Jabberwock uit het nonsensgedicht van Lewis Carroll, kan je zien dat niet alleen Franciszka, maar ook Stefan een begaafd beeldend kunstenaar was, naast alles wat hij nog meer was. Onze boeken hoeven geen bestsellers te worden, maar wel bestlookers, zei Franciszka eens. Gaberbocchus was financieel een zorgenkind, maar alle boeken zagen er prachtig uit.

Het is altijd bemoedigend als begaafde mensen elkaar herkennen, ook als een van hen arm en onbekend is, wat Themerson in Londen was. De rijke en beroemde Bertrand Russell herkende het talent van Themerson, toen die hem in 1950 zijn kleine roman Bayamus toestuurde. Russell schreef in een brief dat het boek hem erg beviel, omdat het bijna zo krankzinning was als de wereld zelf. Ze werden vrienden en een van de dingen die Russell voor Themerson kon doen was hem helpen bij het verkrijgen van de Britse nationaliteit. Dat lukte overigens pas in 1954, twaalf jaar nadat hij in Engeland was gekomen, vijftien jaar nadat hij als soldaat dienst had genomen in het leger van Engelands bondgenoot Polen.

Etiketten

Waarom zijn de mensen zo slecht? Zo geformuleerd zou de vraag Themerson beslist niet bevallen. De mens die slecht is, dat is een voorbeeld van het plakken van etiketten waartegen hij zich steeds verzette. Hij was een taalzuiveraar die de woorden schoon wilde schrobben, zodat ze niet meer misleidend gebruikt zouden worden. Slechte handelingen, daar zou hij misschien over willen praten, niet over slechte mensen.

Over slechte handelingen waren de Themersons goed ingelicht. Franciszka was joods, een etiket dat een doodvonnis was geweest als ze in 1939 niet in Frankrijk waren geweest, maar in Polen. 'Voor miljoenen is het sterven te midden van mensen die hun geen kwaad willen doen de hoogst denkbare luxe', schreef Stefan in Logic, Labels and Flesh, dat in 1974 verscheen. De oorlog waarin hij soldaat was geweest was voorbij, maar er zijn altijd nieuwe oorlogen.

Als hij schreef over logica en taal was dat geen formalistisch spel, want formalisme beschouwde hij als het opium van de denkende klassen. Hij was logicus en taalcriticus, omdat hij vond dat slechte logica en slechte taal tot moord konden leiden. De gevaarlijkste vorm van slechte logica was de perfecte logica, die schijnbaar onweerlegbaar van veronderstellingen naar conclusies springt zonder door de feiten in de wereld tot de orde te worden geroepen.

Wie zegt dat de mens van nature slecht is, dwingt altijd een zekere bewondering af met zijn grimmig pessimisme. Wie het omgekeerde beweert, dat de menselijke zachtheid en vriendelijkheid is aangeboren en dat de kwaadaardige hardheid pas later wordt aangeleerd, wordt algauw als een watje beschouwd.

Themerson wist dat heel goed, maar hij stoorde zich er niet aan. Hij was geen watje, maar juist scherp en nauwkeurig, een illusieloze optimist. Zonder aangeboren vriendelijkheid zouden mensen en andere vleeseters hun jongen opeten als ze honger hadden. Als het werkelijk zo zou gaan, zouden de vleesetende soorten allang uitgestorven zijn. Of beter gezegd: ze zouden nooit hebben kunnen bestaan. Dat voorbeeld van de kinderen die niet worden opgegeten komt vaak terug in zijn boeken.

Een van Themersons romanfiguren citeert Spinoza, die schreef dat hij probeerde om over het menselijk handelen niet te lachen of the huilen of het te haten, maar om het te begrijpen.

Themersons romans zijn humoristisch, ze hebben een lichte toon en hij heeft een milde kijk op zijn figuren. Toch gebeuren er verschrikkelijke dingen.

Ongewone kardinaal

In Nederland is Kardinaal Pölätüo waarschijnlijk zijn bekendste boek, door de bewonderende inleiding van Willem Frederik Hermans. De vreemde naam van de kardinaal kwam doordat Themerson tot zijn blijdschap een schrijfmachine kreeg met toetsen voor de ö, de ä en de ü, maar verder is deze kardinaal ook heel ongewoon.

De kardinaal is de vader van de dichter Guillaume Apollinaire en omdat hij dichters beschouwt als een groot gevaar voor de Waarheid en de Kerk, wil hij zijn zoon van de aardbodem laten verdwijnen. Voor dit doel verzoekt hij koning Umberto van Italië om alle pasgeboren jongens in zijn land te laten doden.

Dat mag werkelijk een kras staaltje van kerkelijk opportunisme worden genoemd. Maar wie de kardinaal alleen als de verpersoonlijking van katholieke gluiperigheid wil zien, zoals Hermans geneigd is te doen, heeft er geen oog voor dat veel van de ideeën van de kardinaal overeenstemmen met die van Themerson zelf.

Dat geldt bijvoorbeeld voor het gevaar van de dichters, die met emotioneel geladen woorden een leugen voor waarheid kunnen laten doorgaan. In de jaren veertig bedacht Themerson de 'semantische poëzie', waarin alle woorden worden vervangen door definities uit het woordenboek die ondubbelzinnig en niet emotioneel geladen zijn, zodat het gedicht eerlijk laat zien wat het zegt.

Het procédé roept vragen op. De definities bestaan uit woorden. Zouden die woorden zelf ook niet vervangen moeten worden door hun eigen definities? En wanneer houdt dat op? Ook had ik de neiging om het omgekeerde te doen van de semantische dichter en de definities juist terug te vertalen naar de woorden waar ze voor stonden, want anders begreep ik die semantische gedichten niet goed. Was dat wel de bedoeling?

Dat zijn te zwaarwichtige vragen. Een van de motieven van Themerson bij het bedenken van de semantische poëzie was dat hij zichzelf ermee wilde vermaken. Dat was ongetwijfeld het belangrijkste motief voor al zijn werk.

Veel van de figuren uit Kardinaal Pölätüo komen terug in latere romans van Themerson. In de laatste roman, Hobson's Island, dat in zijn sterfjaar 1988 verscheen, komen ze aan hun eind door een uitvinding van een briljante geleerde die zijn perfecte logica in dienst van militair onderzoek heeft gesteld. Ze sterven letterlijk van het lachen. De humorist Themerson wist dat lachen niet onschuldig is.

Die briljante geleerde meende het overigens niet kwaad, maar zijn logica was te rechtlijnig. Hij geloofde te veel en hij wist te weinig, al dacht hij alles te weten wat hij nodig had.

'Ik vrees de gelovigen, ook als ze geschenken brengen', schreef Themerson. Hij geloofde in geen enkel abstract systeem, ook niet in het atheïsme of de logica. 'Als ik toevallig een mening heb, probeer ik het er niet mee eens te zijn', zei hij eens tegen zijn vertaler Nicolaas Matsier. Ondanks zijn gebrek aan geloof in zijn eigen meningen komt hij me voor als een toonbeeld van morele en artistieke standvastigheid, deze gecompliceerde geest die zich nooit schaamde om eenvoudig te zijn.

In deze serie schreef Hans Ree eerder over Kurt Gödel, William James, Marcel Duchamp, Vladimir Nabokov, Sallustius, Elias Canetti, Ludwig Wittgenstein en J.H. van den Berg.