`Sponsor onder geen beding in het bestuur'

Naast de gebruikelijke statuten en huishoudelijke reglementen bestaat sinds kort een leidraad voor `goed sportbestuur'. Een commissie van NOC*NSF, onder leiding van Jan Loorbach, heeft dertien aanbevelingen opgesteld.

Elk sportbestuur moet een gedragscode opstellen, waarin ten minste een onkostenregeling, een geschenkenregeling en een regeling voor zakelijke transacties zijn opgenomen. Dat is een van de dertien aanbevelingen die een commissie onder leiding van jurist Jan Loorbach over `goed sportbestuur' heeft gedaan.

De commissie was een initiatief van sportkoepel NOC*NSF. Niet uit onvrede over de kwaliteit van sportbestuurders, maar om sportbonden een houvast te bieden in een snel veranderende maatschappij, waarin steeds hogere eisen worden gesteld en de taken steeds gecompliceerder worden.

Bondsbesturen bestaan overwegend uit vrijwilligers en worden in enkele gevallen bijgestaan door een doorgaans klein professioneel apparaat. Maar veel zaken worden complexer en de financiële belangen almaar groter.

De aanbevelingen voor een goed sportbestuur zijn enigszins te vergelijken met de bestaande gedragsafspraken in het bedrijfsleven (code Tabaksblat), de culturele sector (Cultural Governance) en de gezondheidszorg (Health Care Governance). Oud-bestuurslid Loorbach werd door NOC*NSF aangezocht de commissie te leiden. Als oud-basketballer kent hij de sport en als voormalig chef de mission van de olympische ploeg (Sydney 2000) heeft hij ervaring in de omgang met (top)sporters.

Bij instelling van de commissie werd al gerept van een code Tablaksblat voor de sportwereld. Voor Loorbach gaat die vergelijking mank. ,,Ondernemingen hebben doorgaans te maken met aandeelhouders. In de sport gaat het niet om bedrijfsresultaten, maar om de sporters.''

Hoewel de commissie meent dat `de sport' de meeste zaken goed voor elkaar heeft, bleek dat op essentiële onderdelen niet alles goed is geregeld of zorgvuldig wordt nageleefd. Een voorbeeld daarvan is het ontbreken van checks en balances (middelen om het evenwicht van de machten te bewaren), of de grote afstand tussen bestuur en leden. Bovendien kennen de meeste bonden geen statuut voor de topsport, noch een financieel en/of directiestatuut. En volgens de commissie-Loorbach zijn die gewenst.

Onder het hoofdstuk `Checks en balances' wijst de commissie de toetreding van een sponsor tot een sportbestuur apert af. Elke schijn van beïnvloeding moet voorkomen worden, iets dat volgens de werkgroep eveneens geldt voor dubbelfuncties bij uitvoering en controle van tuchtrechtspraak. Maar ook bij taken buiten de sportorganisatie vindt de commissie dat elke schijn van belangenverstrengeling moet worden voorkomen.

Ze bepleit een betere communicatie van bestuur met leden en vrijwilligers, en stelt voor jaarlijks meer dan één ledenvergadering te houden en landelijke thematische discussiedagen in te voeren. Dat verlevendigt de betrokkenheid, meent de commissie-Loorbach.

De gedragscode voor bestuursleden hoeft volgens de commissie niet zo stringent te worden toegepast dat het bestuur in zijn functioneren wordt belemmerd. Een zakelijke transactie die tot stand komt dankzij een relatie van een bestuurslid wil ze niet verbieden. Wel zou de verantwoordelijkheid door andere bestuursleden moeten worden genomen, en niet door hun collega-met-twee-petten.

De aanbevelingen van de commissie-Loorbach zijn op de ledenvergadering van NOC*NSF door de sportbonden geaccepteerd en worden nu nader uitgewerkt om toepassing mogelijk te maken.

De commissie verlangt dat elk bestuur jaarlijks rapporteert over het omgaan met de dertien aanbevelingen. En wanneer ervan wordt afgeweken dient dat volgens Loorbach gemotiveerd te worden volgens het motto: `Pas toe of leg uit.'

Uiteindelijk vindt de jurist dat zijn commissie, die werd geholpen door bedrijfskundigen van de Erasmus Universiteit in Rotterdam, ,,redelijk maatwerk heeft geleverd.'' En dat was moeilijk genoeg. Loorbach: ,,Omdat de sportbonden zo'n diverse groep vormen. Waar de ene bond zijn zaken vanaf een zolderkamer regelt, beschikt de voetbalbond (KNVB, red.) over een groot professioneel apparaat. Waar de aanbevelingen voor de kleine bond mogelijk te veel zijn, schieten ze voor de KNVB misschien tekort.''

Voorzitter Erica Terpstra van NOC*NSF zei dat hantering van de aanbevelingen niet aan subsidiegelden worden gekoppeld. ,,Wij bieden alleen een kapstok.''