Rieten rokjes voor toeristen

RUIM 4000 vierkante kilometer grondgebied in Mali is door de Unesco tot Werelderfgoed verklaard. Het is het thuisland van de Dogon, een volk waarover veel mythes de ronde doen. Hun geometrische maskers, de tegen de falaise aan gebouwde huizen die één lijken met de rotsen, de Tellem beelden met geheven armen die tot bijna duizend jaar oud zijn: door deze voorwerpen en de verhalen eromheen zijn de Dogon een bekend Afrikaans volk. Een groot aantal van die voorwerpen is nu te zien in het Rijksmuseum voor Volkenkunde, dat sinds 1999 onderzoek doet naar de Dogon.

Het kleine volk in Mali werd eind 19de eeuw door de Fransen gekoloniseerd en is sindsdien uitputtend bestudeerd, maar ook gemystificeerd. Tijdens de Exposition Coloniale in 1931 te Parijs traden de Dogon op met hun maskerdansen. Het wekte een fascinatie die een lange reeks – aanvankelijk Franse – wetenschappelijke expedities op gang bracht, een stroom van publicaties en zo'n 150 documentaire films. Zelfs Kuifje zou er zijn geweest, getuige het album Tintin au pays Dogon. Die belangstelling is nog altijd onverminderd groot: op internet geeft het woord `Dogon' 75.000 hits.

Vooral de Dogonkunst is wereldberoemd. Sinds het begin van de 20ste eeuw hebben kunstenaars – surrealisten en kubisten, maar ook de Cobra groep – zich door hun `abstracte' maskers en sculptuur laten inspireren. Bij verzamelaars zijn de cultobjecten zeer gewild; onlangs werd een Dogonbeeld voor vier miljoen euro geveild en aan een Parijs' museum geschonken. Toch is er weinig bekend over deze beroemde beelden, die in grotten werden aangetroffen: waarvoor ze werden gebruikt en hoe oud ze zijn, is meestal onbekend. De kerstening en de toenemende islamisering zorgden voor een massale export van voorwerpen, waarvan het nu onmogelijk is de vroegere context te achterhalen.

In Leiden weet men inmiddels meer over de tradities van de Dogon dan in Mali zelf. Rogier Bedaux, conservator Afrika van het Rijksmuseum voor Volkenkunde (RMV), was in 1971 voor het eerst in Mali, waar hij voor het Utrechtse Instituut voor Antropobiologie archeologisch onderzoek deed in de grotten van Tellem. Het was de architect Herman Haan (die in 1958 toevallig bij de Dogon belandde) die het – inmiddels opgeheven – instituut wist te interesseren een aantal wetenschappelijke expedities in het gebied te houden. Haan maakte ook collega's als Aldo van Eyck en schrijvers als Bert Schierbeek enthousiast voor deze kunst en architectuur.

Zo komt het dat, ook al had Nederland zelf geen Afrikaanse kolonies, hier warme banden met het gebied bestaan, terwijl de Fransen met hun `besmette' verleden er nog steeds niet erg welkom zijn. Zo promoveert op 16 maart aan de Technische Universiteit Eindhoven Wolf Schijns op de architectuur van de Dogon.

Vanwege het belang van het Dogongebied heeft de Unesco het in 1989 op de Wereldmonumentenlijst geplaatst. Eerder al financierde de Stichting voor Wetenschappelijk Onderzoek van de Tropen (WOTRO) een meerjarig onderzoek naar de materiële cultuur van dit volk. Sinds 1999 legde het RMV samen met collega's in Mali een collectie gebruiksvoorwerpen aan voor het Nationaal Museum van Mali, terwijl er ook een restauratieproject loopt voor de typische Dogon-architectuur. De tentoonstelling in Leiden toont de bevindingen van het onderzoek naar hun materiële cultuur, en was eerst in Mali te zien.

Of de Dogon nog te `redden' zijn, is overigens zeer de vraag: er worden nog steeds dorpen verlaten vanwege droogte en primitieve woonomstandigheden. De bewoners trekken, zoals overal ter wereld, naar de stad. Het gerestaureerde gebied wordt daarmee een openluchtmuseum, beaamt Bedaux: dode cultuur waar de huizen en gebruiksvoorwerpen bewaard blijven, maar niet meer tot nut van de oorspronkelijke bewoners. Hun cultuur wordt nog in leven gehouden voor de stroom toeristen, waarop de Dogon handig weten in te spelen. Zij zijn meesters in het vervalsen van oude maalstenen tot beeldjes, verweerde beelden krijgen een nieuw gezicht en nieuwe beelden worden oud gemaakt.

Aldus presenteren de Dogon een `geënsceneerde etniciteit', zoals antropologen dat noemen. Een filmpje in de tentoonstelling toont een recent door hen opgevoerd dansritueel zoals een westerling zich dat droomt: compleet met kleurrijke rieten rokjes, trommels en veel lichaamsgekronkel. Te mooi om waar te zijn, dit `paradise lost'. De realiteit is dat de jongeren nauwelijks meer hun tradities kennen. Dat is – onder invloed van de globalisering – een wereldwijd fenomeen, ook in het westen. In ons land weten we veel over de Dogon, maar onze eigen Zaanse Schans is waarschijnlijk vaker bezocht door Japanse toeristen dan door autochtone Hollanders.

Tentoonstelling: `Dogon. Mythe en werkelijkheid in Mali'. Rijksmuseum voor Volkenkunde Leiden, t/m 28 augustus. Zie ook www.rmv.nl.