Poffertjes

Deze week is in ons land de laagste maarttemperatuur ooit geregistreerd, zijn we door een ongekende sneeuwval verrast, hebben de media daaraan de grootste hoeveelheid tijd gegeven, is een van de langste woorden van onze taal nationaal bekend geworden (gladheidscalamiteitencoördinator) en zijn we, al met al, van de ene weldadige sensatie in de volgende getuimeld. Totale sneeuwpret. Het absolute ravotten. Het reinigend vermogen van de sneeuw. Ik heb er niets aan toe te voegen.

Nog meer goed nieuws. Gisteren heeft Steve Fossett zijn solovlucht om de aarde voltooid, met zijn Global Flyer in 66 uur 37.000 kilometer afgelegd. Het is niet de hele 40.076 kilometer en 60 centimeter, maar wie bij zo'n prestatie op die paar duizend kilometer let, is een kniesoor. Fossett heeft in zijn prachtige vliegtuigje een record gebroken. Ik dacht aan Dick Rutan en Jeana Yeager die tussen 14 en 23 december 1986 in een machine van even grote schoonheid ongeveer hetzelfde traject hebben afgelegd. Aan Charles Lindbergh die in 1927 met zijn Spirit of Saint Louis als eerste de Atlantische Oceaan is overgevlogen, van New York naar Parijs, in 33 uur en 30 minuten. Aan Orville en Wilbur Wright die op 17 december 1903 aan het strand van Kitty Hawk de eerste bemande vlucht uitvoerden: 40 meter in 12 seconden. En aan Thor Heyerdahl, die in 1947 op het vlot Kon-Tiki van Peru naar Polynesië is gevaren, om aan te tonen we niet mogen uitsluiten dat de Inca's in een ver verleden die eilanden hebben gekoloniseerd. Allemaal grote historische prestaties, maar hier gaat het niet om de records. Let alleen op de middelen van vervoer. Records worden gebroken, maar het gereedschap waarmee dat wordt gedaan blijft onvergankelijk mooi. Het bestaat uit niets anders dan het noodzakelijke. De rest is ballast. Pas later, als gebleken is dat alles feilloos werkt, komt het design, worden naar de behoefte van de tijd de attracties en versieringen toegevoegd. Het kan mooi, nuttig, comfortabel zijn, maar het is ook bederf.

Wat nu volgt heeft met het voorgaande niets te maken. Jaren geleden heb ik op deze plaats een stukje geschreven over Amsterdam als poffertjesstad. Het is onvermijdelijk dat hier op een plein of in een plantsoen van enige omvang op zeker ogenblik een poffertjeskraam wordt neergezet, schreef ik ongeveer. Het was voor de tijd van de kunstijsbaantjes. Het kunstijs werd aan de poffertjes toegevoegd. De coffeeshops waren er al. Eerst schaatsen, dan poffertjes eten en tot slot een beetje blowen. De stad ontwikkelde zich tot een zeldzame wereldattractie.

Woensdag las ik in de slijpsteen, op de Achterpagina, bij Frits Abrahams, dat de poffertjeskraam op het Museumplein is afgebroken. Tot zijn genoegen. `Waar de poffertjeskraam verschijnt, dreigt de verloedering voor de hele omgeving', schrijft hij. Deze op het Museumplein beschouwde hij `zelfs in haar soort nog als een monument van lelijkheid. De achterkant was poepbruin en de voorkant eigeel geschilderd, terwijl het dak bestond uit een zeil dat giftig groen naar de hemel schreeuwde.' Hij heeft gelijk. Mooi was die kraam niet. Meestal ben ik het trouwens met Abrahams eens. Maar hier plaats ik een paar kanttekeningen.

Over het algemeen let je niet op de architectuur van een restaurant als je lekker wilt eten. Of sterker, er zijn restaurants die opzettelijk pracht en praal uitstralen, maar waar je geen hap door je keel zou kunnen krijgen. En aan de andere kant gewone, onaanzienlijke, zelfs lelijke bouwsels met ware tovenaars in de keuken. Zie je ergens langs de weg een als boerenhoeve vermomde eetgelegenheid, wees dan voorzichtig, want tien tegen één dat ze je daar proberen te voeden met blikgroenten en overvette half verkoolde varkenskarbonade, bedekt onder een laag in afgewerkte olie klaargemaakte frieten. Architectonische schoonheid en lekker eten hebben niets met elkaar te maken.

Het poffertje is een speciaal geval. Het heeft de naam een nederig gerecht te zijn, een soort volkslekkernij, familie van de oliebol. Voor de oliebol heeft het Algemeen Dagblad nog de nationale test. Poffertjes worden het hele jaar ongecontroleerd op de markt gebracht. De kwaliteit hangt alleen van de kunde en het verantwoordelijkheidsgevoel van de kraamhouder af. Het goed gemaakte poffertje is een pure lekkernij. Stel je voor, dit bord met poffertjes, goudbruin gebakken, in het midden een klontje roomboter en het geheel goed maar niet te rijkelijk bestrooid met poedersuiker. Geef toe, Frits, dat ziet er goed uit.

Maar het ene poffertje is het andere niet. Je hebt kramen waar je een verzameling kleffe meelballen op je bord krijgt. Er zijn veel kramen die middelbare poffertjes serveren, wel betrekkelijk lekker maar niet om werkelijk van te genieten. En een enkele poffertjesbakker weet precies hoe het moet. Sop het poffertje in de smeltende boter, wentel het in de poeiersuiker, en je denkt: het is wel anders maar in zijn soort even heerlijk als kaviaar. En dan de pure lust van het laatste poffertje: hoe je daarmee je bord aandweilt, hoe je dan verzadigd blijft zitten, voor je uit starend, nog naproevend wat je hebt genoten. Dit soort poffertjes horen voor mij tot het bescheiden geluk van ons bestaan. Ik heb het geproefd onder dit gifgroene dak dat naar de hemel schreeuwde.

Moeten de poffertjes voortaan in een esthetisch verantwoord gebouwtje worden gegeten? En hoe moet het dan met de haringkar en de oliebollenkraam? Wat denken de poffertjes-, haring-, en oliebolleneters?