HUISELIJK GEWELD IN ZUID-AFRIKA

In Zuid-Afrika wordt elke zesentwintig seconden een vrouw verkracht. In Zuid-Afrika wordt elke zes dagen een vrouw gedood door haar partner en wordt een op de vier vrouwen regelmatig door haar partner geslagen.

Roslyn Bucher

'Ik ben 53 jaar oud. Vorige woensdag ben ik buitengesloten door mijn man. We zijn zeven jaar getrouwd, maar al elf jaar samen. We hebben al elf jaar problemen. Mijn man is een extreem gewelddadige man. Hij is agressief. Ik denk dat ik zo'n beetje alle vormen van mishandeling van hem te verduren heb gehad, behalve seksueel misbruik. Ik bedoel wurging, schoppen, slaan, branden met sigaretten, dat soort dingen. Na het geweld wordt hij heel, heel stil. Het is zenuwslopend. Je weet geen moment waar je aan toe bent. Het is onvoorspelbaar. Je weet niet wat er te gebeuren staat. Hij heeft vaker gedreigd me te vermoorden dan ik me kan herinneren. Ik heb geprobeerd weg te komen, maar hij zoekt me overal op en smeekt me om terug te komen.

Deze man heeft van tijd tot tijd geld, maar hij weigert voor een huis te zorgen. Hij is mecanicien, en op dit moment wonen we in zijn werkplaats. Meestal ben ik daar alleen 's avonds, niet overdag. Overdag ga ik weg. Ik heb vier maanden lang dag in dag uit in de wasserette gezeten. Ik ben daar een instituut geworden. Daar was ik tenminste veilig.

Vergeleken met tien jaar geleden ben ik een schaduw van mijzelf, als ik het zo zeggen mag.'

Cassandra Emma Moyo

'U kent onze Afrikaanse cultuur. Ze denken dat vrouwen er zijn om geslagen te worden. Je kunt een vrouw disciplineren door haar te slaan. Mijn man, zijn ouders, zijn familie, ze geloven in het slaan van hun vrouw.

Mijn man heeft mij gestoken met een broodmes. Hij stak me door mijn nier. Het mes kwam er bijna aan de voorkant uit, dus één nier functioneert niet meer goed. Nadat hij me gestoken had, dronk hij vergif en dwong mij hetzelfde te doen. Daarna lag ik drie maanden in coma en ik was zwanger. Je kent vrouwen, wij zijn vergevingsgezind en ik nam hem terug. Hij kwam niet thuis, hij bracht geen geld. Ik moest alles doen, ik betaalde de huur, zorgde voor het kind. Toen begon hij me weer te mishandelen. Hij wilde me zelfs uit het raam gooien, van de tweede verdieping.

Ik heb over mijn hele lijf littekens. Ik kan niet zeggen dat ik gelukkig ben. Ik zou hem kunnen doden. Ik heb vijf kostbare jaren vergooid met hem. Ik heb mijn vrouwelijkheid vergooid. Ik had iets voor mezelf kunnen doen, want ik wild altijd naar school.

Soms denk ik dat ik gewoon lelijk ben. Misschien was ik stom. Hij blééf me maar slaan en ik bleef maar bij hem zonder reden. Soms geef ik mezelf de schuld.'

Pinky Mothibedi

'Ik heb vier kinderen. Ik ben getrouwd in 1974 en ben tien jaar bij mijn man gebleven. Hij dronk. Als hij dronken was wilde hij vechten. Als ik vroeg wat er mis was, luisterde hij niet. Ik liet de kinderen bij hem achter en ging naar Johannesburg. Ik zocht werk. Ik heb geen huis, dus ik lig hier de hele dag op de vloer in het dagverblijf van de kerk.

Die man sloeg me tot ik naar het ziekenhuis moest. Hij sloeg me zo erg. Hij sloeg me op mijn ruggengraat, aan de onderkant. Sindsdien kan ik geen zware dingen dragen en zwaar werk doen.

Hij sloeg me elk weekeinde met de wandelstok. Als ik de wandelstok zie word ik erg bang omdat ik me herinner hoe moeilijk ik het had. Het huis dat we samen gebouwd hebben heeft hij in brand gestoken. Als ik naar huis ga om de kinderen te zien, ben ik bang omdat hij elk moment kan thuiskomen.

Elke keer als ik zo'n twee maanden zwanger was, verliet hij het huis. Ik wist niet waarvan ik moest leven en hoe ik mijn kind moest baren. Als het kind zo'n tweeëneenhalf jaar was, kwam hij terug. Hij kwam thuis, maakte me weer zwanger en vertrok weer. Totdat ik vier kinderen had. De kinderen hadden een gebroken hart. Ze zeiden: Mammie, als hij terugkomt, moet je hem niet meer vergeven.'

Christina Mofokeng

'In 1999 ging ik met mijn man samenwonen. Hij sloeg me als ik geld vroeg voor voedsel. Hij kocht gewoon 5 kilo mais en 5 kilo kippenpoten voor me en dat was het. Zelfs hier in het huis is zijn kast altijd op slot. Als ik geld wil, of een cassette uit de kast of een pil, dan moet ik wachten tot hij thuiskomt. Ik herinner me vooral die aframmeling toen er een telefoontje kwam. Hij zei: Ik ga weg. Ik vroeg: Waar ga je heen. Hij zei: Vraag het me niet. Ik zei: Waarom?

Ik ben je vrouw. Hij zei: je maakt me gek. Hij kwam terug met een bijl.

Hij probeerde me te slaan met de bijl.

Ik rende naar buiten, hij achter me aan. Hij greep het grote stuk hout waar we de was op doen. Hij sloeg me ermee.

Ik viel op de grond. Ik had bloed over mijn hele lichaam, omdat hij me op mijn hoofd had geslagen. Toen ik bijkwam, was ik erg duizelig.

Mijn kleine jongen huilde zo hard.

Hij hield me vast en het bloed spoot eruit. Hij vervloekte zijn vader en zei: Papa, je bent heel stout, waarom sla je mama? Waarom?

Ik blijf bij hem omdat ik geen geld heb om weg te gaan. Als ik over een scheiding denk, denk ik aan al mijn bezittingen in het huis. De overheid gaat dat van me afpakken. Daarom denk ik dat hij weg moet gaan.'