Halfmijl Timmereind

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in Brabant

Alle paarden draven door hun weilanden, of ze trekken baantjes over afgepaste, hardbevrozen aardklontenerfjes, want ze hebben het koud. Wolken dampen uit de zachte neuzen, haren staan overeind in een poging tot pels, de hoeven worden hoog geheven.

Het is een graad of min drie en ook wij stappen stief over een laag dunne sneeuw. We knerpen op de geribbelde zandpaden, kraken door het ijs in drooggevroren plasjes en slippen over de bevroren scheuren in het oude asfalt. De snijwind maakt dit tot een snot- en traanwandeling, maar ik zeur niet, dat zou in dit boerengebied ongepast zijn. Want wat zijn ze mooi: de akkers met hun gepoederde kluiten en stoppels en de ruime hoeves met hun kassen ernaast, eentje poseert zelfs met een vele meters hoge stalen tulp erbij.

Dit land gedijt bij winterweer met sneeuwbuitjes, onder luchten vol zwangere wolken, in licht dat zich hult in grijs bont. En stuurt de route ons het bos in, dan blijft de wind achter de stammen. Daar dwarrelen de vlokken dommelend omlaag, door de zon per stuk in vuurvliegjeskostuum gestoken.

In Knegsel is een monument dat de verwoesting door de Fransen van het hele dorp in 1688 herdenkt, én de afbraak van een kerk in 1800 én de eerste Knegselse pastoor: `1900-1925'. Onder het als een pilaarheilige opgestelde Christusbeeld met een hart van steen moppert man: ,,Het is een rommeltje. Geen wonder dat die plaats hier Knegsel heet.''

,,Hè? Wát?''

,,Ja. Knegsel wordt nooit Heersel.''

Steensel bekeek het beter. Het installeerde in een kapelletje een geslaagd primitief Mariabeeld dat, zoals alle geslaagde primitieve Mariabeelden, kan bogen op één strikt eigen kenmerk: dit is Maria-met-de pantoffeltjes. In het gastenboek smeekt men haar van alles af, van het herstel van de paus tot de gezondheid van een kies. Bijna niemand zegt er `alsjeblieft' bij. Of hoeft dat niet?

Na een weitje waar de schapen schuilen tussen de struiken en daar meteen een hapje eten, belanden we op een smal pad door een lariksenbos. Inderdaad zijn, zoals dat bij lariksen gaat, de naalden verdord en afgevallen. Maar de takken en twijgen vingen ze op, de meeste lange naaldentrossen hangen dus nog steeds in de bomen.

Tussen de sparren verderop fourageert, snel als een bui druppels met veertjes, een troep zwarte mezen (ze zijn voornamelijk bruin en wit, heten die zo omdat ze een variant op de bivakmuts dragen?). Op een in de grond gevroren e-mailprint lees ik `Miel, Bram, Johan, Papa, Mama, ik hou van jullie allemaal'.

14 km. Kaarten 11, 12, 13 uit: Pelgrimspad. Uitg. Stichting Wandelplatform-LAW, 2000. Openbaar vervoer is er niet. Tel. taxi 040 2220111.