Genot

In een televisiefilm uit 1976 die ik laatst weer eens zag liep de schrijver Stefan Themerson pijprokend op het strand. Je ziet niet vaak meer rokende mensen op de televisie en zeker niet als ze langs de zee lopen. Het was een oergenoeglijk gezicht, een beeld uit een andere wereld.

De ongedwongen houding tegenover genotsmiddelen die vroeger in de schaakwereld bestond, kunnen wij ons nauwelijks meer voorstellen. In 1886 kregen Steinitz en Zukertort tijdens hun partijen om het wereldkampioenschap champagne te drinken, omdat dat goed voor de hersenactiviteiten was. Roken was toen ook nog goed voor de hersenen.

De Engelsman Amos Burn (1848-1925) was een van de sterkste spelers ter wereld. Aan het schaakbord installeerde hij zich met een rijtje pijpen, een mes met een pijpenrager, 17 kleine mesjes, een kurkentrekker en een schoenlepel; een zak tabak, een aantal sigaren, lucifers, een asbak en een spuwbak. Na een grondige inspectie van zijn uitstalling speelde hij met een uitdrukking van groot welbehagen de zet 1. d2-d4.

Ik ken zelf ook nog iemand die vaak zo'n uitstalling op zijn schaaktafel neerzette, de Hongaar Andras Adorjan. Bij hem waren het geen genotsmiddelen, maar poeders, doeken en zalfjes. Als hij het potje met de tijgerbalsem opende, bood je hem maar remise aan. Zonder tijgerbalsem speelde Adorjan al heel sterk, maar met balsem was hij onverslaanbaar.

Er zullen ook wel schakers zijn geweest die last hadden van de genotzucht van Amos Burn, maar het was toen nog onbeleefd om dat te zeggen.

Wit begint en wint.

Burn - De Vere, Londen 1870.