Column

Gebroken hart

Schoot schaamteloos vol toen het Journaal me vertelde dat hij dood was. De griep en de koorts zullen zeker geholpen hebben, maar mijn ogen prikten. Fel en gemeend.

Na de laatste Ajax-Feyenoord sprak ik hem in de parkeergarage van de Arena. Ik zei tegen mijn zoon dat hij deze hand zeker moest schudden. Meneer Michels maakte daar een relativerend grapje over. En hij kwam in januari naar Carré, vertelde hij, en of ik die avond wel een beetje extra mijn best zou doen.

Het was waar. Meneer Michels was een oude man geworden. Veel jongens hadden het al verteld. Na de dood van zijn vrouw had hij een stevige jas uitgedaan. Iets verontrustte mij die middag. Ik durfde het niet hardop uit te spreken, maar mijn gevoel fluisterde: het is klaar met meneer Michels. Hij vindt het wel goed zo.

Voor het eerst ontmoette ik hem bij de WK in 1990. De lift van Hotel Crowne Plaza, een chique tent in de schaduw van het Pantheon. Ik zei niks omdat ik weet wanneer ik nederig moet zwijgen. Hij was samen met zijn vrouw Wil. Hij brak het ijs met de woorden: ,,Hé, mister Buckler is er ook!’

In de hal beneden praatten we nog even door over voetbal, Toon Hermans en het linkerbeen van Pavarotti, die in diezelfde lounge zat te puffen. Tijdens dat gesprek schudde een man hem vlug de hand. Toen hij weg was, vertelde hij wie het was. Een speler die hij ooit getraind had bij 1. FC Köln, die nogal onder de plak van zijn vrouw zat, waarop hij op Micheliaanse wijze afrondde met: ,,We noemden haar altijd Wil!’ Mevrouw Michels lachte stralend.

Waarom was de voetbalcompetitie vroeger veel en veel leuker? Omdat alleen de kampioen mee mocht doen aan de Europa Cup. En waarom was de Europa Cup leuker? Omdat je er elke ronde uitgeknikkerd kon worden. Elke wedstrijd was daarom spannend. De Champions League is aangelengde commerciële rommel. Voetbal is een testbeeld waar je verveeld langs zapt.

Daarom schoot ik ook vol. Omdat meneer Michels heeft bijgedragen aan heel veel gelukkige uren van mijn gemakkelijke jeugd. Vroeger duurde een Europa-Cupwedstrijd ongeveer veertien dagen. Twee weken had je lichte verhoging en vrat je alles wat met de wedstrijd te maken had. Sportprogramma’s, foto’s, speldjes, sleutelhangers en elke lettergreep van een speler of trainer liet je zestien keer door je gehoorgang joggen. En zeker de duidelijk uitgesproken lettergrepen van de schaarse woorden van Rinus Michels.

Ik kan nog zoveel tevoorschijn toveren uit die tijd. De mistwedstrijd tegen Liverpool, 4-0 uit gewonnen van Nürnberg, de zinderende trilogie tegen Benfica met de ontknoping in Parijs, de afdroogfinale tegen AC Milan (drie keer Prati!), de uitoverwinning tegen Atlético Madrid en uiteindelijk de finale op Wembley tegen het Griekse Panathinaikos. Voor vijfenzeventig gulden (reis en kaartje!) was ik er bij.

Hij en Ernst Happel stonden aan de basis van het Nederlandse voetbal. Zij creëerden een nieuwe mentaliteit. Zij maakten kampioenen. Niemand van mijn generatie vergeet toch het WK 74? Wat een fantastisch kampioenschap. Genoeg over gezegd en gesproken.

In 1988 flikte hij het nog een keer. En toen helemaal goed. Europees kampioen. En hoe. Ik was er toen door privé-omstandigheden niet bij, maar woonde het hele EK in de televisie.

Na de dood van zijn vrouw was het met hem gedaan. Iedereen zei het, iedereen zag het en hij was de laatste die het ontkende. Hij vond er nog maar weinig meer aan. De laatste keer sprak ik hem na mijn voorstelling in Carré. Hij had een mooie avond gehad, verzekerde hij mij, en hij had hard gelachen. Maar met zijn tweeën is lachen leuker.

Paar weken later ging hij onder het mes. Een nieuwe hartklep. Maar dat was het natuurlijk niet. Het hart was gebroken. Meneer Michels bestond namelijk al jaren uit meneer en mevrouw Michels. Vandaar. De chirurg heeft het gezien. Hier was geen redden meer aan.

Ik denk aan een man die mij en met mij miljoenen zoveel prachturen heeft bezorgd, prachturen waarin ik niets anders kon denken dan: het leven is wél leuk.