De vrijheid om sneeuwballen te gooien, ook (onnodig) grievende

Eigenlijk had ik nu ijsvrij willen nemen. Buiten is het feest. Auto's rijden stapvoets, een enkele fietser waagt het er nog op. Op straat, uitgelaten kinderen en volwassenen, sleetjes, sneeuwballengevechten. Naast het park zie ik een auto, harde bassen die door de geopende deuren de witte stilte verstoren. Twee grote, brede Surinamers in sportkleding: een staat stoer tegen het hek te poseren met een sneeuwbal in zijn rechterhand, serieuze gezichtsuitdrukking, de ander neemt een foto met zijn mobieltje. Wanneer ze mij zien, raken ze in verlegenheid. De stoere houding verandert even in schutterig gewiebel, maar dan verschijnt een brede grijns. In het park, tien, twintig sneeuwpoppen. Nog nergens blubber, en het sneeuwt maar door. Iedereen is in een goede bui: wildvreemden gooien met sneeuwballen naar elkaar, iedereen gooit vrolijk terug. Sneeuw verbroedert.

Dat is niet helemaal vanzelfsprekend. Soms is een sneeuwbal al te veel. Vraag het de nabestaanden van Sedar Soares, de 13-jarige jongen die in februari 2003 een sneeuwbal tegen een auto aangooide vanaf het parkeerdek van het Rotterdamse metrostation Slinge. (2003, toen kinderen nog met sneeuwballen gooiden in plaats van stoeptegels...). Afgelopen januari werd zijn moordenaar veroordeeld tot 15 jaar. De zaak duurde zo lang omdat niemand tegen de verdachte durfde te getuigen. Deze Gerald H., een onduidelijke scharrelaar in cocaïne, 29 jaar, was even bekend als gevreesd in de buurt. Tien kinderen had hij, bij zeven vrouwen, een feit waar hij zo trots op was dat hij het woord `Jatapin', `koning der lullen', achterop zijn rode Honda Civic had aangebracht. Er kan maar één lul de grootste zijn, dat begrijpen we wel.

En dan uitgerekend op dit verlengstuk van zijn grootheid een sneeuwbal? En een hele horde jochies die erbij stonden te giechelen? De koning der lullen kon er niet om lachen. Recht in zijn eer werd hij getroffen. Een grotere belediging was nauwelijks denkbaar. Dat kon de grootste lul van allemaal niet op zich laten zitten. Geen respect, weet je wel.

We zien ze steeds vaker, deze koninkjes die denken dat hun eer of hun god niet bestand is tegen een sneeuwbal, een treiterend jongetje of goedgebekt meisje. Een `onnodig grievende sneeuwbal', die nu eenmaal vraagt om harde maatregelen. Het vervelendste jongetje van de klas, dat nu eenmaal vraagt om een mes in zijn buik. Het meisje dat zich het zwijgen niet laat opleggen en solliciteert naar de kogel. Hadden ze maar geen sneeuwballen moeten gooien naar Jatapin.

Hoewel, er zit vooruitgang in, zo wordt ons voorgehouden. Moslims uit de regio Utrecht hebben een kort geding aangespannen tegen Hirsi Ali, in plaats van haar meteen te vermoorden. Daar moeten we dan verheugd over zijn. De eisers, een deels al weer van samenstelling veranderd groepje dat vertegenwoordigd wordt door advocaat R. Moskowicz, willen dat Hirsi Ali nooit meer beledigende, grievende of blasfemische uitspraken over de islam zal doen in de toekomst, en ook geen vervolg maakt op haar film Submission 1.

In de rechtszaal ontsponnen zich bizarre discussies die ieder zicht ontnamen op waar het eigenlijk om ging. Waren de uitlatingen van Hirsi Ali met opzet kwetsend, onnodig grievend (en is het in de ogen van de gekwetste niet altijd onnodig?), of waren het onderbouwde meningen? Mogen politici meer of minder zeggen dan kunstenaars? Was Aïsja, de vrouw van de profeet Mohammed, in werkelijkheid geen 9-jarig meisje maar een 40-jarige zakenvrouw? In één moeite door hield Moskowicz Hirsi Ali verantwoordelijk voor de moord op Theo van Gogh, een opvatting die ook wel terug te vinden is in een boek met Brieven aan Ayaan Hirsi Ali, dat deze week verscheen.

Ondertussen gaat het om niet meer of minder dan de zoveelste poging tot censuur met als argument dat religieuze gevoelens meer moeten worden ontzien dan andere; dat sommige gevoeligheden gevoeliger zijn dan andere. In Groot-Brittannië zijn ze daar al wat verder in dan hier. Nadat in Birmingham een vermeend blasfemisch toneelstuk van een Sikh-auteur werd afgelast, en BBC-managers met de dood bedreigd omdat ze het ook al vermeend blasfemische Jerry Springer: The Opera hadden uitgezonden, probeerde de Britse regering een wet door het parlement te loodsen die `het aanzetten tot haat op religieuze gronden' zou verbieden. Door actie van PEN Groot-Brittannië, talloze schrijvers, acteurs en beroemdheden als Rowan `Blackadder' Atkinson werd dat veranderd in `haat tegen personen op raciale of religieuze gronden'.

Salman Rushdie gaf daarbij een speech die ik het liefste in zijn geheel zou citeren, waarin hij het `recht om beledigd te zijn' verdedigde. ,,Het idee dat er een vrije samenleving kan worden gemaakt waarin mensen nooit gekwetst of beledigd zullen worden, is absurd'', schreef hij. Zijn opvatting van debatteren: ,,Je wordt nooit persoonlijk, maar je hoeft absoluut geen respect te hebben voor de ópvattingen van je tegenstander. Je bent nooit onbeleefd tegen de persoon zelf, maar je kunt meedogenloos beledigend zijn over wat die persoon denkt.'' De kern van de zaak, volgens de schrijver: ,,Het moment waarop je zegt dat welk systeem dan ook heilig is, of het nu gaat om een religieus geloof of een seculiere ideologie, het moment waarop je verklaart dat sommige ideeën boven elke kritiek, satire, beschimping of minachting verheven zijn, is het moment waarop de vrijheid van denken onmogelijk wordt.''

Dát staat op het spel: de principiële vrijheid om sneeuwballen te gooien tegen welk symbool van almacht dan ook, religieus, politiek dan wel fallisch, en er vervolgens heel hard om te kunnen staan lachen, zonder dat je een kogel door je kop krijgt.