Brussel struikelt weer over lengte werkweek

Hoe lang mogen werknemers per week werken? En is dit een vraag die niet langer aan de landen van de Europese Unie kan worden overgelaten maar waarover Brussel dient te gaan?

Deze week kwamen de Europese ministers van sociale zaken er weer niet uit. Tijdens hun periodieke vergadering in Brussel besloten zij de inmiddels slepende kwestie alleen in procedurele zin te bespreken. De vorige keer, in december van het afgelopen jaar, was het onderwerp uitgelopen op een ideologische clash tussen de vrijemarktliberalen en de aanhangers van het sociale model. Een confrontatie die vooral liet zien hoe groot de verdeeldheid is. Waarbij twee zaken aan de orde zijn: wat is de beste manier om de economie te stimuleren en welke rol dient Europa hierin te spelen?

Daarmee is het debat over de arbeidstijden exemplarisch geworden voor een veel breder vraagstuk. Want wat is het waard als in Europees verband wordt gesproken over het streven naar de meest concurrerende economie ter wereld als de landen zo verdeeld zijn als de concrete aanpak aan de orde is?

Alles draait om het zogeheten opt-out systeem. Nu al verordonneert Europese wetgeving dat werknemers niet langer dan gemiddeld 48 uur per week mogen werken. Hiervan kan per land in individuele gevallen worden afgeweken met een beroep op de opt-out regeling. Er ligt een voorstel van de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de Unie, om het begrip `gemiddeld 48 uur per week' flexibeler te interpreteren. Tevens zou er in de aangepaste regeling duidelijkheid moeten worden verschaft over de vraag of wachttijden ook volledig als werktijd kunnen worden beschouwd.

Een nadere definiëring is noodzakelijk na een uitspraak van het Hof van Justitie dat in 2003 oordeelde dat slaapdiensten als werktijd moeten worden beschouwd. Aan de andere kant wil de Commissie na deze aanpassingen een eind maken aan de opt-out clausule die alle uitzonderingsgevallen mogelijk maakte.

Dit laatste is tegen het zere been van de fervente voorstanders van de vrije markt die vanouds in Groot-Brittannië waren te vinden, maar ook veel aanhang hebben bij de nieuw toegetreden EU-landen uit Midden- en Oost-Europa. Zij willen niets weten van striktere regelgeving en wijzen op de cijfers.

,,In een tijd dat de werkloosheid in Frankrijk is gestegen naar tien procent van de beroepsbevolking en waarin de Duitse werkloosheid tot meer dan vijf miljoen mensen is opgelopen, is het al helemaal niet het moment voor de Europese Unie eigenmachtig de regels aan te scherpen die bepalen hoe mensen moeten werken'', zegt de Britse Conservatieve europarlementariër Philip Bushill-Matthews. ,,In het Verenigd Koninkrijk hebben we een zeer flexibele arbeidsmarkt met lage werkloosheid als gevolg. Hoe lang iemand mag werken moet een zaak zijn voor de Europese lidstaten, maar bovenal voor individuen.''

Steun voor zijn standpunt haalt Bushill-Matthews uit naar eigen zeggen onverdachte hoek. Want hij weet dat Labour-staatssecretaris Patricia Hewitt ook niets moet hebben van nieuwe Europese regelgeving en citeert een uitspraak van haar van vorig jaar september toen de plannen van de Commissie bekend werden. Hewitt had het toen over ,,een ongerechtvaardigde inbreuk in nationale aangelegenheden en een aanval op de vrijheid om te kiezen''.

Volgens Bushill-Matthews suggereert de voorgestelde regelgeving sociale rechtvaardigheid maar zal die slechts leiden tot hogere werkloosheid. ,,Wanneer de hele Europese Unie zegt in concurrentie te geloven, en dat doen ze met de Lissabon-agenda, dan moeten ze dat nu maar eens waarmaken. Dat betekent dat ze niet nog meer wetgeving moeten produceren'', zegt hij.

Om te proberen uit de impasse te komen willen de Europese ministers van sociale zaken nu eerst het oordeel van het Europees Parlement horen. Dat zal in mei besluiten of de omstreden opt-out regelingen mogen blijven bestaan. Bushill-Matthews: ,,Dit is een van de eerste kansen dat het parlement kan uitspreken of het aan de kant van de moderniseerders staat of blijft steken in het verleden.''