We slaan die burgerhoed eraf

In Leiden waren de studenten rond 1800 militant. Burgers en Belgen konden op hun gram rekenen. Alleen tegen de Pruisen gaven ze niet thuis.

Een soms gespannen verhouding tussen de stadsbevolking en de studenten in Leiden is van alle tijden. Maar het air dat studenten in vroeger eeuwen aannamen, is nu moeilijk voor te stellen. Burgers dienden hun plaats kennen. Dat bleek in de Leidse schouwburg op 2 maart 1818. Daar werden twee Leidenaren door een groepje studenten gemolesteerd, zo tekent Willem Otterspeer op in zijn geschiedenis van de universiteit, omdat zij hadden nagelaten hun hoed af te nemen toen de studenten tussen het tweede en derde bedrijf een studentenlied aanhieven. Tegenwoordig heet zoiets zinloos geweld. Destijds dachten de studenten daar heel anders over.

Veel boeken over de geschiedenis van een universiteit zijn samengesteld door een `algemeen' historicus die voor een inleiding zorgde, waarna specialisten een tijdvak of een afzonderlijke discipline behandelden.

De eenmansondernemingen, waaraan het nooit heeft ontbroken, zijn doorgaans smaller van opzet. Ze beperken zich tot een meer institutionele geschiedenis en gaan over het bestuur, de faculteiten en leerstoelen, de bekendste professoren en het studentenleven. De schrijver van een geschiedenis over de volle lengte en breedte van een oude universiteit als de Leidse moet dan ook van veel markten thuis zijn. Hij heeft bovendien doorzettingsvermogen nodig en een lenige pen om de lezer te blijven boeien, bijvoorbeeld in zijn behandeling van het juridisch onderwijs, en misschien zelfs enige overmoed.

De Leidse hoogleraar in de universiteitsgeschiedenis Willem Otterspeer heeft dit aangedurfd. Na een flinke stapel bundels en kleiner werk en een integrale geschiedenis van zijn universiteit in de negentiende eeuw (De wiekslag van hun geest uit 1992), werkt hij al jaren aan een vierdelige geschiedenis van 's lands hogeschool, zoals zij in de tijd van de Republiek heette, de eerste universiteit die zij in de negentiende eeuw officieel was en de beste universiteit die zij tegenwoordig wil zijn. Onlangs, op de 430ste verjaardag van de Leidse universiteit, toen deze zichzelf trakteerde op een eredoctoraat voor koningin Beatrix en een `nieuwe' Otterspeer, verscheen het derde deel uit de reeks.

Revolutie

Het omspant het einde van het Ancien Régime, de Bataafs-Franse tijd, het verenigd koninkrijk en de doorbraak van het liberalisme tot het derde eeuwfeest in 1875. De studenten verschoten bij de dramatische ontwikkelingen van die jaren een paar keer van kleur. Rond 1787 en 1795 waren ze in groten getale patriots of revolutionair, in 1815 trokken ze in een eigen compagnie op tegen Napoleon, in 1830 hielpen zij uit romantisch nationalisme mee de Belgen een lesje te leren en in het revolutiejaar 1848 oefenden ze zich in de duinen om gereed te zijn als de orde moest worden bewaakt. Maar in 1870, toen het gevaar dreigde van een inval door het machtige Pruisen, gaven zij niet thuis. Op de vraag of het zich beschikbaar stelde, antwoordde het studentenweerbaarheidkorps Pro Patria dat het niet geoefend was.

In de beschrijving van de universitaire gemeenschap blinkt Otterspeer uit. Hij verwaarloost daarbij de ontwikkelingen op de lange termijn allerminst. Die bleven niet zonder gevolgen voor de universiteit. Vóór 1812 bestond er geen enkel voorschrift in het Nederlandse universitaire onderwijs. Het enige examen was een soort toelatingsexamen voor de promotie. Tijdens de inlijving bij Frankrijk werden al regels uitgevaardigd, maar het organiek besluit van koning Willem I uit 1815 was de eerste Nederlandse wet op het hoger onderwijs. Het bepaalde dat studenten vóór hun promotie ten minste drie examens moesten doen en voor elk van die examens werd een aantal vakken voorgeschreven. Het was een eerste stap in verlenging van de studieduur door toevoeging van telkens nieuwe vakken. In thematische hoofdstukken behandelt Otterspeer voorts de veranderingen in het onderwijs en het verdwijnen van het Latijn daaruit, de vervanging van het analogiebegrip door een kritisch empirisme, de ontwikkeling van kabinet naar laboratorium, van filosofie naar onderzoek en van geleerdheid naar wetenschap.

Deze longue durée wordt afgewisseld met chronologische hoofdstukken waarin de belangrijkste evenementen uit een kort tijdvak aan de orde komen. Maar nu in vergelijking met de vorige delen de veranderingen elkaar sneller opvolgen, wringt die aanpak. Menige hoogleraar wordt als directeur van een laboratorium en als onderzoeker ter sprake gebracht lang voordat hij bij zijn benoeming wordt geïntroduceerd in een van de chronologische hoofdstukken. Zo wordt de fysioloog Adriaan Heynsius gekwalificeerd als een echte natuurwetenschapper en blijkt pas tientallen bladzijden verderop van wie hij dat had: hij was een leerling van F.C. Donders, die in Nederland de grondlegger was van een natuurwetenschappelijke benadering van de geneeskunde. Een gevolg van die aanpak is ook dat de lezer soms eerst een voorproefje krijgt en later het hele verhaal of dat een gebeurtenis als het ware in afleveringen wordt verteld. Dat werkt storend doordat de redacteur ter uitgeverij heeft zitten slapen. Die had de lezer daar even op moeten wijzen. Hij of zij had bovendien moeten voorkomen dat een incident, dat de spanning tussen stadsbevolking en studenten treffend typeert, op pagina 202 bekend wordt genoemd. Het bijbehorende verhaal, uit de aanhef van deze recensie, wordt pas ruim vijftig bladzijden later uit de doeken gedaan.

Losrenten

Het boek van Otterspeers promovendus Ronald Sluijter is veel beperkter van opzet. Het vult Otterspeers eerdere delen aan met enkele fundamentele gegevens: wat voor lieden bestuurden de universiteit, hoeveel mensen werkten er precies en wat deden ze, wat waren de familie- en andere betrekkingen tussen de hoogleraren, wat kostte de toen nog gewestelijke Leidse universiteit precies en waar kwam dat geld vandaan? Sluijters paragrafen over landpachten, tienden en losrenten zijn niet de levendigste delen van een boek dat overigens veel boeiends biedt. Het ambt van curator was zo gewild, dat alleen de meest invloedrijke en ervaren bestuurders die positie wisten te bemachtigen. Van begroten hadden ze geen verstand, ze gaven het geld eerst uit en probeerden daarna de gaten te dichten. Ze betaalden hun professoren beter dan de Duitse universiteiten, afgezien dan van Göttingen. En ze hielden afstand. Ontslagen op politieke of religieuze gronden kwamen zelden voor. Zo bevestigt Sluijter wat Otterspeer ook al beklemtoont: de Leidse universiteit maakte haar devies waar. Zij zag zichzelf als, en was ook, een bolwerk van vrijheid.

Willem Otterspeer: Groepsportret met dame III. De werken der wetenschap. De Leidse universiteit, 1776-1876. Bert Bakker, 492 blz. €27,95

Ronald Sluijter: `Tot cieraet, vermeerderinge ende heerlyckmaeckinge der universiteyt'. Bestuur, instellingen, personeel en financiën van de Leidse universiteit, 1575-1812. Verloren, 343 blz. €32,–