Wars van vrome nevel

Het harde politieke optreden van de staatsman Johan Rudolf Thorbecke leverde hem veel vijanden op. Zijn correspondentie laat zien hoe hij kon doordraven – maar ook hoe verliefd hij kon zijn.

Op zijn geschilderde portretten in het Rijksmuseum en de senaatskamer van de Leidse universiteit (en niet te vergeten het Torentje op het Binnenhof) kijkt Thorbecke ons streng en afwerend aan. Als we niet zouden weten dat zijn politieke genie het negentiende-eeuwse Nederland uit zijn staatkundige en economische slaperigheid had gewekt, en hij in de Tweede Kamer gevreesd werd om zijn intellectuele superioriteit (soms nog meer om zijn verbale sarcasme), zouden we licht geneigd zijn Johan Rudolf Thorbecke voor een onvriendelijk heerschap te houden.

Volgens Gerard Hooykaas, de bewerker van Thorbeckes monumentale brievenverzameling, die zijn redactionele levenswerk deze week met een fijnzinnige toegift heeft afgesloten, komt Thorbecke niet alleen in zijn geschilderde portretten, maar ook op alle portretfoto's over als `stug, stroef en gesloten'. Doordat de portretschilders van zijn tijd geen vat op hem konden krijgen en hij van zijn kant ook niet veel op had met poseren, is het beeld van ongenaakbaarheid lang om Thorbecke blijven hangen.

Toch had de schepper van de grondwet van 1848 blijkens zijn persoonlijke correspondentie, een normaal ontwikkeld gevoelsleven. Voor de buitenwereld mocht hij dat grotendeels verborgen houden, maar in zijn intensieve correspondentie met zijn familie en vrienden maakte hij daar geen geheim van. In het nawerk van Hooykaas wordt die `andere' zijde van Thorbecke mooi uitgelicht en soms verrassend geïllustreerd. Uit de in 1936 gepubliceerde brieven aan zijn vrouw, zijn geliefde Adelheid, die hij in zijn brieven bedacht met een gevarieerde hoeveelheid innige kooswoorden, was ons al de onvermoeibare minnaar bekend. Wat er nog meer aan persoonlijks in de immense Thorbecke-collectie verstopt zat heeft Hooykaas er geduldig uitgevist en in een aantal human interest-rubrieken gegroepeerd, zoals Thorbeckes soms zeer geringschattende oordeel over collega's in de politiek en de wetenschap, zijn ups en downs, zijn liefde voor Mozart en Gluck, zijn woorden van troost voor weduwen en wezen, zijn uitingen van vriendschap, maar ook zijn kregeligheid en zijn nurksheid.

Hooykaas is allerminst blind voor de minder aardige eigenschappen van de staatsman. Een overmaat aan mensenkennis schrijft hij hem niet toe. Thorbecke was een man van principes, morele zo goed als staatkundige, maar in zijn beginselvastheid kon hij flink doordraven. Zo ontsloeg hij als minister van Binnenlandse Zaken de Gelderse commissaris van de koning Schimmelpenninck van der Oije, omdat deze onder de maat presteerde, ondanks hun jarenlange innige vriendschap. In vriendschappen, vond hij, moest men personen en zaken van elkaar kunnen scheiden. Thorbecke zette het ontslag zelfs door tegen de zin van de koning, die sterk aan zijn commissaris gehecht was en die onze IJzeren Hein nadien een nog grotere afkeer toedroeg dan hij daarvoor al deed. Dat optreden zonder aanzien des persoons, zo tekent Hooykaas daarbij aan, `heeft bijgedragen aan de antipathie, de afkeer die Thorbecke heeft opgeroepen'.

In de jaren van Thorbeckes politieke hegemonie (tussen 1849 en 1872 was hij driemaal premier) liep die afkeer soms zo hoog op dat hij voor langere tijd politiebescherming nodig had. Bij werkbezoeken aan Amsterdam liep hij volgens de getipte politie gevaar voor zijn leven en in november 1863, toen het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid in 1813 werd gevierd, ontving hij anonieme waarschuwingen dat men het op zijn leven had voorzien.

Thorbecke had een compromisloze minachting voor intellectuele middelmaat. Zo schreef hij als jong bijzonder hoogleraar te Gent aan zijn ouders over een boek van de oude Utrechtse hoogleraar Van Heusde: `De heer Van Heusde heeft mij een dik boek toegezonden, dat hij geschreven heeft over de aard en de strekking van hoger onderwijs. Dat geschrift is m.i. een mislukte na-aping van de Platonische samenspraken en komt van begin tot eind op een ondragelijk geleuter en oudwijvengebabbel neer. Enkele goede gedachten zwemmen daar in een oceaan van niets betekenende opmerkingen. Zo het de moeite waard was om van dat alles iets te schrijven, zulks had op 16 bladzijden gezegd kunnen worden en het boek behelst er bij de 400.'

In een brief aan G. Groen van Prinsterer boorde hij de Amsterdamse publicist S.P. Lipman, auteur van een geschiedenis van de staatkunde, regelrecht de grond in: `De heer Lipman is dilettant; hij behoeft dus de bronnen niet te kennen [...] Maar, mij dunkt toch, die feiten dienen niet misvormd, de uittreksels niet ten enenmale onnauwkeurig, oordeel en uitlegging omtrent de eenvoudigste dingen niet ten enenmale onjuist te zijn. De vreemdeling zal moeite hebben te geloven, dat men zich op een zó klassieke grond voor diplomatie, als ons land te recht heten mag, zulke knollen voor citroenen laat verkopen.'

Groen, met wie Thorbecke lang bevriend was, ontzag hij trouwens evenmin. Het boekje dat deze in 1840 over de herziening van de grondwet had geschreven, was niet meer dan een wegwerp-recensie waard. `Gij zult de bijdrage van Groen hebben gezien. Vele goede aanmerkingen over het verleden, maar waar het aankomt op 't geen nu te doen is, vrome damp en nevel' (in een briefje aan L.C. Luzac).

Het is geen wonder dat koning Willem III, uit vrees voor diens scherpe tong, Thorbecke zoveel mogelijk vermeed. De brieven die Hooykaas over de betrekkingen tussen de liberale professor en de behoudzuchtige koning heeft opgenomen gaan over een politieke loopgravenoorlog, waarin de vorst met wisselend succes probeert de liberaal buiten de regering te houden en de liberaal op zijn beurt de koning buiten de staatszaken. Vermakelijk is de uitwisseling van hatelijkheden die in 1862 uitloopt op een eenzijdig moratorium: Thorbecke laat de koning weten dat hij niet langer gediend is van de beledigingen waarop deze hem voortdurend onthaalt en daarom zijn periodieke bezoeken aan het hoofd van de regering voor gezien houdt. De koning op zijn beurt is waarschijnlijk minder beledigd dan opgelucht.

De `andere' Thorbecke die Hooykaas uit zijn brieven tevoorschijn laat komen is een lieve man, die ons sympathieker wordt naarmate hij ons meer deelgenoot maakt van zijn emoties en zijn diepere gedachten. Rudolf is zorgzaam voor zijn ouders, lief voor de rest van zijn familie en teder voor zijn `lief madonnaatje' (zijn `ogelijntje', op wie hij zijn levenlang hartstochtelijk verliefd blijft). Hij is even trouw in zijn vriendschap als zachtaardig voor de eenvoudigen van geest en hij is begaan met minderen. Van zijn departement stuurt hij Adelheid thuis een briefje, met het verzoek de politieagenten die hun huis bewaken en daar lopen te kleumen, van koffie te voorzien.

Lyrisch is hij over Dresden, de stad waar hij Adelheid vandaan gehaald heeft. `Nog altoos is Dresden voor mij het liefste plekje in Duitsland [...], dat in mijn herinnering als een poëtisch gewest is geworden.'

Ontroostbaar is hij om de dood van zijn vrouw in 1870. Zij is 53 jaar geworden. Terneergeslagen schrijft hij zijn vriend H.J. van Heek, de Twentse textielfabrikant, bij wie hij vaak zijn politieke depressies heeft uitgezeten: `Na de slag, die ons gisterenavond plotseling trof, kan ik noch denken, noch schrijven. Het leven heeft geen waarde meer voor mij. Intussen moet ik, zolang God wil, leven voor mijn kinderen.'

Nog eenmaal neemt hij het premierschap op zich (1871), omdat niemand anders het in de gegeven verhoudingen kan. Maar hij heeft zijn politieke energie verbruikt. In feite is hij een gebroken man, die zonder zijn hartenkoningin langzaam wegkwijnt. Bij een strandwandeling in de zomer van 1872 wordt hij door een ernstige kou geveld, aan de gevolgen waarvan hij op 4 juni, 74 jaar oud – en nog steeds in het harnas – bezwijkt.

Gerard Hooykaas: Thorbecke. Een leven in brieven. Boom, 200 blz. €19,90