Wanneer was dat jaartal?

Wat is een canon en waarom zegt iedereen er opeens zulke mooie dingen over? In een aantal kleinere boekjes over de Nederlandse geschiedenis worden de belangrijkste feiten op een rijtje gezet.

Vijf jaar voor historicus gestudeerd, en maar zelden iets gehoord over de `vaderlandse geschiedenis'. Het begrip was in de eerste helft van de jaren negentig, in ieder geval in Amsterdam, niet erg populair. Het had een ouderwetse en nationalistische bijsmaak, en daarom kreeg het zakelijker, meer afstandelijke `Nederlandse geschiedenis' de voorkeur. Die geschiedenis werd vervolgens gedoceerd aan de hand van De Lage Landen, de grote, tweedelige synthese van de ironische en nuchtere historicus E.H. Kossman.

Die tijd is voorbij. De roep om historisch besef en canonvorming klinkt alom, en het begrip `vaderlandse geschiedenis' is zo ingeburgerd dat het weer in volle ernst, met weemoed of juist met een trotse gloed, kan worden gebruikt. Maar horen alleen glorieuze perioden en dappere helden bij de vaderlandse canon, of ook de late afschaffing van de slavernij door Nederland of het relatief hoge percentage joden dat in de Tweede Wereldoorlog werd weggevoerd? Iemand als Anton Mussert gooit bij de televisie-verkiezing van de Grootste Nederlander Aller Tijden geen hoge ogen, maar behoort de NSB wel tot de historische canon? Rare canon zou dat zijn, aangezien het begrip volgens Van Dale `regel, richtsnoer, maatstaf' betekent. Al met al is het een begrip dat meer verwarring veroorzaakt dan dat het verheldert.

In hun `canon van de Nederlandse geschiedenis', als artikel gepubliceerd in het Zaterdags Bijvoegsel van deze krant, hanteren de hoogleraren geschiedenis Jan Bank en Piet de Rooy de volgende definitie. Een canon is `een geheel aan kennis en inzichten, aan ordening en interpretatie van het verleden', dat overigens altijd voor discussie vatbaar is. Opmerkelijk genoeg is het begrip verdwenen uit de titel van het boekje dat ze van hun artikel hebben gemaakt. De nuttige geschiedenisles van De Rooy, Bank en Gijsbert van Es (redacteur van deze krant) heet nu Kortweg Nederland. Wat iedereen wìl weten over onze geschiedenis. Dat klinkt inderdaad meer als een vrolijke uitnodiging dan als een strenge opdracht, voor een boekje dat de Nederlandse geschiedenis verdeelt in tien tijdvakken en de meest basale feiten op een rijtje zet.

Rondom deze Boekenweek verschijnen nog veel meer boekjes in kort bestek over Nederlandse geschiedenis. Kortweg Nederland krijgt bijvoorbeeld al meteen concurrentie van De vergeten geschiedenis van Nederland. Waarom Nederlanders hun verleden zouden moeten kennen van de journalist Jos Palm.

Palm hield een enquête onder 39 Nederlandse historici met als belangrijkste vraag `wie en wat ertoe doet in de Nederlandse geschiedenis'. De uitkomsten werden gepubliceerd in Vrij Nederland. Dit boekje is vooral een samenvatting van de vaderlandse historie. Daarnaast geeft Palm een kort overzicht van de belangrijkste Nederlandse historici. Hij komt er rond voor uit dat hij op zoek is naar `een beetje bruikbaar verleden'. En dus komen vaderlandse deugden als matigheid, nuchterheid en tolerantie nog maar eens voorbij. We zouden volgens Palm opnieuw een voorbeeld moeten nemen aan `de twee redelijke en stille Willems' (Van Oranje en Drees), respectievelijk de geduldige leider en de zorgzame vader. Een beetje `ouderwetse gedachte', geeft hij toe. Dat is het ook. De stijl van zijn boek is bovendien soms wat plat, met zinnen als: `Dat Nederland ,,af'' is na de Gouden Eeuw durft niemand te beweren.'

Gaten schieten

Dat het beter kan bewijst de Utrechtse hoogleraar Maarten van Rossem in zijn al wat eerder verschenen, interessante Typisch Nederland. Bij hem neemt de tour d'horizon van het vaderlandse verleden slechts één kort hoofdstuk in beslag, maar het zit toch stevig in elkaar. Van Rossem heeft ruimte over om gaten te schieten in het romantische maar inhoudelijk ongrijpbare begrip `nationaal karakter'. Vooral het al eeuwen navertelde cliché dat Nederland een `calvinistische natie' zou zijn (terwijl bijvoorbeeld in de zestiende eeuw maar een kleine meerderheid tot die kerk behoorde), neemt hij onder vuur. Maar ook Van Rossem kan de verleiding moeilijk weerstaan om de pragmatische tolerantie en fameuze handelsgeest van de Hollandse regenten als de essentie van de Nederlandse volksaard te bestempelen – simpelweg omdat dat hem beter bevalt dan het religieuze `calvinisme'. Zeer de moeite waard is ook zijn beschouwing over het vermeende unieke karakter van Nederland. Hij toont overtuigend aan dat Nederland in veel opzichten helemaal niet zo bijzonder is, maar als het gaat om hoge organisatiegraad van het middenveld, vrijetijdbesteding, vertrouwen in het sociale systeem, en nadruk op `feminiene waarden' zoals zorg voor mensen en relaties, sprekend lijkt op de Scandinavische landen.

Ook sommige politici roeren zich met boeken over de geschiedenis. Dat is niet zo verwonderlijk, want de huidige roep om meer vaderlandse geschiedenis in het onderwijs wordt in Den Haag opvallend enthousiast gesteund en breed gedragen. De liberale politici Gerrit Zalm en de `neopatriot' Jozias van Aarsten lopen voorop. Premier Balkenende zoekt namens het CDA in het verleden naar normen en waarden. Zelfs de euro-sceptische SP-leider Jan Marijnissen hamert graag op het belang van geschiedenis. Marijnissen heeft gepleit voor de oprichting van een Nationaal Museum voor Nederlandse geschiedenis. Hij herhaalt dat pleidooi in Waar de historie huis houdt, dat verder voor een groot deel bestaat uit eerder gepubliceerd materiaal en herinneringen aan reizen die Marijnissen heeft gemaakt, inclusief vakantiefoto`s. Dat kan beter, Jan!

Historisch besef kan volgens Marijnissen een gevoel van `thuis-zijn' ontwikkelen, `hechting' mogelijk maken, vervreemding bestrijden alsmede `de hedendaagse verwarring over onze morele, culturele en politieke identiteit.' Dat is erg veel gevraagd. Bovendien, waarom zouden we onszelf een nationale identiteitscrisis aanpraten? Miljoenen autochtone Nederlanders bewijzen dag in, dag uit dat je je `Nederlander' kunt voelen tot in je tenen zonder iets noemenswaardigs van de geschiedenis te weten.

De cultuurhistoricus Thomas von der Dunk loopt alvast op de zaken vooruit door in Het Nederlands museum. Een tweeduizendjarige wandeling door de vaderlandse geschiedenis amusant en ironisch te schetsen hoe zo'n museum (afdeling politieke geschiedenis) eruit zou kunnen zien. Zijn museum is verdeeld in drie afdelingen (Middeleeuwen, Republiek en Koninkrijk) met allerlei tussenpoortjes en een voorgeborchte. Als op een bepaald moment in de geschiedenis alle opties nog open zijn, komt de museumbezoeker op een draaischijf terecht. Is een historische ontwikkeling onvermijdelijk geworden, dan bevindt de bezoeker zich op een lopende band. Het Germanisches Nationalmuseum in Neurenberg dient het portret van Karel de Grote door Dürer in bruikleen te geven. Ook de deur van de slotkerk in Wittenberg, waarop Luther zijn reformatorische stellingen prikte, is onontbeerlijk om de Nederlandse geschiedenis aanschouwelijk en begrijpelijk te kunnen maken, meent Von der Dunk. Zijn museum wordt dus nogal een doolhof, maar dat is de geschiedenis ook.

De meute

In Het beste land van de wereld. Waar komen onze normen en waarden vandaan?, verreweg het beste beknopte historische overzicht dat ter gelegenheid van deze Boekenweek verschijnt, vergelijkt de historicus Han van der Horst, wiens vuistdikke overzicht Nederland ook is herdrukt, het huidige nationale beschavingsoffensief met eerdere bloeiperioden van vaderlandse disciplinering van `de meute'. Zo geeft hij ook meteen de beperkingen ervan aan. Daarnaast beantwoordt hij de vraag waarom Nederland, meer dan andere Europese landen, zo in het ongerede is geraakt door populisme en etnische spanningen na de aanslagen van 11 september. Dat komt, zegt Van der Horst, door de bovengemiddelde hang naar veiligheid en voorspelbaarheid van Nederlanders. En die is weer het gevolg van de politieke en religieuze verzuiling, die nergens anders in Europa zo sterk was geworteld. Nederlanders hebben van generatie op generatie geleerd bijzonder hoge eisen te stellen aan hun veiligheid en aan de diensten en bescherming van de overheid, en zijn daardoor ook sneller dan anderen uit hun evenwicht te brengen.

En `Hollandse' waarden als nuchterheid, spaarzaamheid en matigheid? Nee, die zijn de Nederlanders helaas niet aangeboren, of diep verankerd in de polders van de delta, maar het resultaat van een `groot en lang aangehouden elite-project dat begon in de negentiende eeuw', onderstreept Van der Horst. De burgerlijke elite, voortbouwend op de erfenis van rederijkers en regenten, trachtte toen uit zelfbescherming en met het oog op de toekomst haar eigen normen en waarden op alle mogelijke manieren ingang te doen vinden bij de nieuwe industriële massa. Voor de `informatiemaatschappij' schiet dit project schromelijk tekort. De huidige samenleving moet het hebben van veelzijdigheid en improvisatievermogen, niet van hernieuwde standaardisering uit het tijdperk van de industriële massaproductie. `Georganiseerde diversiteit' is de enige manier waarop Nederland overeind kan blijven, luidt de toch nog hoopvolle conclusie van dit bedachtzame en leesbare boek. De geschiedenis leert immers niet alleen wat ons bindt met het verleden, maar vooral wat voorgoed voorbij is.

Han van der Horst: Het beste land van de wereld. Waar komen onze normen en waarden vandaan?

Bert Bakker, 158 blz. €10,–

Jos Palm: De vergeten geschiedenis van Nederland. Waarom Nederlanders hun verleden zouden moeten kennen. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 120 blz. €9,95

Maarten van Rossem: Typisch Nederland. Het Spectrum, 64 blz. €4,95

Jan Bank, Gijsbert van Es en Piet de Rooy: Kortweg Nederland. Wat iedereen wíl weten over onze geschiedenis. Inmerc, 48 blz. €4,95

Jan Marijnissen: Waar historie huis houdt. Thomas Rap, 96 blz. €10,–

Thomas von der Dunk: Het Nederlands Museum. Een tweeduizendjarige wandeling door de vaderlandse geschiedenis. Van Gennep, 92 blz. €12,90