Vormen van menselijkheid

Vier jongens van een jaar of achttien zitten op het strand om een koffergrammofoon. Een apparaat met een veermotor die je met een slinger opwindt. Op het grote vlakke bovendeel is een draaischijf waarop je de plaat legt. Je zet de naald in de groef, stelt de machine in werking en uit een gat achter de draaischijf komen de geluiden die in de groeven zijn vastgelegd.

Dit gaat over een scène in een Italiaanse zwartwitfilm van een jaar of veertig geleden. Ik weet niet van wie. Het strand is dat van Ostia, bij Rome. Het gat van het geluid braakt een stroom van woorden. Er wordt in het Duits geschreeuwd, soms plotseling bijna gefluisterd waarna het weer in razernij verder gaat. `Ik begrijp er niks van maar het klinkt prima', zegt een van de jongens. Aan het woord op deze plaat is Hitler.

Een paar weken geleden heb ik de film Der Untergang gezien, over de laatste dagen van Hitler, de toestanden in de Führerbunker, de fantastische hoop van de leider dat het alleen in zijn verbeelding bestaande leger van Von Wenck in aantocht was, de gelovigheid van zijn laatste vertrouwelingen en volgelingen, de oprukkende Russen, enzovoort. Het kwam me allemaal bekend voor. Tientallen keren gelezen, voor het eerst kort na de oorlog bij Hugh Trevor-Roper in zijn De laatste dagen van Adolf Hitler, daarna in Alan Bullocks Leven en ondergang van een tiran, toen nog eens in de Opkomst en ondergang van het Derde Rijk van William Shirer, en daarna geloofde ik het wel.

Waarom dan naar die film gegaan? Omdat die werd aanbevolen met de boodschap dat daar het `menselijke' van Hitler aan de orde kwam. Wat verstaan we onder `menselijk'? Het hangt ervan af wie je spreekt. Op de zondagschool of bij het Rode Kruis verstaan ze er iets anders onder dan in kringen van godsdienstfanatici of bij de ondervragers in het kamp van Guantanamo. Toch hebben ze allemaal een eigen rechtvaardiging voor hun wijze van menselijkheid. Waaruit zou dan het menselijke van Hitler bestaan? Dat hij zo aardig was voor zijn hondje. Dat hebben we ook al talloze keren gehoord. Het hondje bleek in Der Untergang geen rol te spelen.

Wat is daar dan wel het menselijke? De manier waarop de held reageert op zijn eigen inzicht dat hij verloren heeft. Hij verdiept zich niet in een kritisch zelfonderzoek, hij gaat niet na op welk ogenblik, waardoor het met het Derde Rijk reddeloos is misgelopen. Hij geeft `de anderen' de schuld. Hij is de onbegrepen wondermens die door de hele wereld in de steek is gelaten. Dan straft hij, zoals Sebastian Haffner in zijn Anmerkungen zu Hitler heeft geschreven, het Duitse volk voor zijn eigen mislukking. In dit geval neemt het gigantische vormen aan. Op kleine schaal zie je deze vorm van menselijkheid om de haverklap.

Dat hij daarbij schreeuwt en tiert, als een echte krankzinnige tekeer gaat, dat waren we in de tijden van zijn opkomst en triomf al van hem gewend. Toen was het de tijd geweest om hem door deskundigen te laten onderzoeken. Maar in hun door rancune en miskenning gevoede grootheidswaan waren miljoenen Duitsers even zwaar van de kook als de leider. Na de capitulatie op 9 mei 1945, brak Stunde Null aan en niet lang daarna zijn de Duitsers in het westen begonnen met wat bij ons `de verwerking van het verleden' wordt genoemd, de Vergangenheitsbewältigung. Dat is niet zonder conflicten verlopen, maar als je het een jaar of zestig later overziet, op een bewonderenswaardig consequente manier gedaan, met een goed resultaat. In Der Untergang is Hitler in zijn laatste dagen: een verongelijkt schreeuwende, kwaadaardige, de laatste resten van zijn macht misbruikende zielepoot. Dat is zijn menselijkheid.

Zijn eerste biograaf, Konrad Heiden, heeft hem in 1937 beschreven als een `demonische hansworst'. Omstreeks 1965 luisterden de vier Italiaanse jongens op het strand naar een voorstelling. Wat er gezegd werd had zich zo ver van de betekenis verwijderd dat het niet meer terzake deed. Het ging daar om de kick. Dat is ook een menselijke behoefte. Ik zou nu een film over de menselijkheid van een gemiddelde nazi willen zien.