Tussen lust en fatsoen

De negentiende eeuw heet in historische kring tegenwoordig steevast de `lange negentiende eeuw'. In Nederland is het begin ervan – de revolutietijd – en haar einde – het fin de siècle – genoegzaam gedocumenteerd en geanalyseerd. Maar in haar volle lengte is diezelfde eeuw nog steeds niet aan bod gekomen. Dat heeft vermoedelijk twee oorzaken. De ene is de nadruk op de afzonderlijke emancipaties. In deze eeuw heeft zich het liberalisme gemanifesteerd en de maatschappij is een democratische grondwet bezorgd. De opmars van de orthodox protestantse luiden is erin begonnen evenals, op aansporing van Rome, de mobilisatie van katholieken. En ook de moderne arbeidersbeweging heeft er zijn vertrekpunt gevonden. Al deze emancipaties zijn beschreven in termen van `de kracht die ons ontwaken deed'. Het zicht op het geheel is gespleten in de opkomst der delen.

De tweede oorzaak is te vinden in het beeld van bedaardheid en bedektheid dat aan de Nederlandse negentiende eeuw kleeft; de ingesnoerde taille. Die woorden zijn ontleend aan een boek van de neerlandica Marita Mathijsen, die in haar Limburgse geboortedorp het geluk had de authentieke ervaringen van die verleden tijd nog te kunnen proeven. En ze is daarna een leven gaan wijden aan een literatuur die in een gangbaar spraakgebruik een toonbeeld is van huiselijkheid met uitsluiting van ondeugden. Op het moment dat met de nieuwe eeuwwisseling de negentiende eeuw definitief in de geschiedenis werd geplaatst, vatte zij in 250 bladzijden De gemaskerde eeuw samen.

Gemaskerd is de eeuw door een tegenspel van openbaren en verzwijgen; van verhulling en waarheid. Burgerlijk fatsoen speelt er een maskerade met onbewimpelde lust. Het leven is een gemaskerd bal, niet alleen in Verdi's opera, maar ook in de travestie van `maatschappelijke conflicten en collectieve obsessies' die literatuur heet. Want diezelfde huiselijke letterkunde is de bron waaruit de schrijfster dit dubbelleven kan construeren. Jacob van Lennep, de Schoolmeester, François Haverschmidt, Nicolaas Beets, Busken Huet of A.G.L. Bosboom Toussaint; ze moeten worden gelezen dwars tegen de voorstelling in als zou eerst bij de Tachtigers de literatuur in Nederland weer beginnen. Zo schept Marita Mathijsen een eeuw vol verrassingen en drama.

In De gemaskerde eeuw wordt ook gewezen op het traditionele thema van de emancipatie. Want de lijf- en doodstraf zijn erin afgeschaft, de slavernij en de kinderarbeid. Maar niet `de kracht die ons ontwaken deed' is het onderwerp. Ervaringen worden beleefd: de vrolijke bedstee en het grote zwijgen, de `eenhandige zonde' en de gedoogde ontucht, maar ook de bekeerde hoeren, want het is de eeuw van de middernachtzending. De cholera is niet zozeer statistisch maar lijfelijk aanwezig evenals de kinderdood en de `volkszonde' van de drankzucht. De zelfmoord wordt in eervolle beweegredenen beschreven (Jan van Speyk), maar ook in de schande van een overspelige gehuwde vrouw.

Het boek begint bij seksualiteit en ontucht en eindigt bij de `idealen': gezin, liefdadigheid en geloof. Dat laatste is het minst overtuigende van De gemaskerde eeuw, maar de lezer is dan ook al zo doordrongen van de maskerade, dat er geen oprecht woord meer overblijft voor de vromen in de kerkbanken.

Marita Mathijsen: De gemaskerde eeuw [2002].