Toen was besef heel gewoon

Journalist Jan Blokker schreef, met zijn twee zonen, een vaderlandse geschiedenis aan de hand van de schoolplaten van J.H. Isings. Een ode aan het aanschouwelijk onderwijs, maar volledig bij de tijd.

Dat is nog eens timing. Op het moment dat een publieke discussie wordt gevoerd over herinvoering van een culturele canon, als basis van een nationale identiteit (een begrip dat niet meer zo incorrect is als het was), komt het mannelijke deel van de familie Blokker (Jan senior en diens zonen Jan junior, rector en geschiedenisleraar, en Bas, journalist en historicus) met het boek Het vooroudergevoel. De vaderlandse geschiedenis op een presenteerblaadje, levendig geschreven, historisch verantwoord en met als visueel lokkertje de (voor 45-plussers bekende) klassieke schoolplaten van J.H. Isings (1884-1977).

Deze Johan Herman Isings (een `achttienkaraats vaderlander', aldus de Blokkers) schilderde in een kleurige, nationalistische stijl 43 aquarellen van hoogtepunten, zoals de `De kruisvaarders voor Jeruzalem', `Floris V door de edelen gevangengenomen', `Luther op de Rijksdag te Worms' `Leidens ontzet', `Slag bij Nieuwpoort', `Een zomermiddag met de Muiderkring', maar bijvoorbeeld niet `De beeldenstorm', of `De moord op de gebroeders De Wit'). Isings tekende een `voorbeeldig' verleden waarin het accent ligt op taferelen uit de Reformatie, Opstand en Gouden Eeuw, een reden waarom de platen van Isings op protestantse scholen populairder waren dan op katholieke. Veelal statische taferelen zijn het, waarop geen bloed vloeit en alle aanwezigen lijken te zwijgen. Ook al kloppen details van kleding en gebruiksvoorwerpen met hun tijd, je verwacht steeds Ot en Sien in de menigte te ontwaren. Het is ontegenzeggelijk de educatieve beeldtaal van eerste helft twintigste eeuw.

Isings platen, schrijven de Blokkers, `zouden bij hele generaties leerlingen beklijven tot haast icoonachtige herinneringsbeelden uit de vaderlandse geschiedenis'. Dat is waar. Achter elke voorstelling schuilt een verhaal, dat zie je onmiddellijk, en je hebt alleen nog een goede verteller nodig (een goede leraar) die het verhaal in geuren en kleuren uit de doeken doet. Zo zat vroeger op de lagere school de geschiedenisles in elkaar, en na afloop hoefde je eigenlijk alleen jaartallen te leren, namen in te prenten en je was klaar, want de verhalen onthield je vanzelf wel. Deze methode van aanschouwelijk onderwijs heeft het een jaar of zestig uitgehouden. Daarna verschoof het accent van feitenkennis naar inzicht en het verkrijgen van vaardigheden. De illustraties van Isings verdwenen van de schoolmuren.

Halteplaatsen

De Blokkers doen in hun boek veel meer dan het aanschouwelijk onderwijs laten herleven. Aan de hand van markante jaartallen (`halteplaatsen' worden de hoofdstukken genoemd) voeren de auteurs de lezer mee langs de belangrijke episodes uit het verleden. Een soort capita selecta (`Bonifatius vermoord', `De Vrede van Munster', `Goejanverwellesluis', `De grondwet', etcetera) die tesamen genomen toch een redelijk volledig beeld geven. Hun tekst gaat ook veel verder dan het leveren van commentaar op de platen van Isings. Dat doen ze ook, in korte bijschriften (bij zijn `Een stad in de Middeleeuwen' noteren ze droog: `Dit is geen stad in de Middeleeuwen. Dit zijn een heleboel steden in de Middeleeuwen'). Maar ook zonder die platen en bijschriften, vormen de dertig aparte historische hoofdstukken een handzaam en gedegen overzicht van de vaderlandse geschiedenis, dat bovendien heel prettig geschreven is. Twee van de drie auteurs zijn journalist, dus dat mag je wel verwachten, maar toch is het een prestatie om lezers die misschien niet zo heel erg in Jacoba van Beieren zijn geïnteresseerd, tot doorlezen aan te zetten.

Wat niet wegneemt dat hier serieuze geschiedenis wordt bedreven. Het boek is niet alleen feitelijk terzake en smakelijk verhalend, met treffende citaten uit oorspronkelijke bronnen, maar de auteurs gaan in hun tekst ook in op eerdere geschiedschrijvers en de visie op het nationale verleden die zij probeerden te verspreiden. Dat de Bataven (`de gedroomde voorouders') een soort oer-Hollanders zouden zijn, is bijvoorbeeld een mythe die uit het begin van de Renaissance stamt, toen de geschriften van Tacitus werden herontdekt, en daarna pas populair werd.

Toch vraag ik me af met welke historische visie op Nederland het boek precies is geschreven. In hun eerste hoofdstuk wijzen de schrijvers op de groeiende behoefte aan `nationale identiteit' en het belang van geschiedenis. Even verderop geven ze een opsomming van allerlei historische twisten, conflicten om de macht tussen elkaar op leven en dood bestrijdende facties (elders staat: `Dorpjes die nu aan een en dezelfde ANWB-fietsroute liggen, vechten in de late Middeleewuen op leven en dood'). Maar na te hebben geconstateerd dat dit uitmondde in en land met zestien miljoen Nederlanders die in betrekkelijke vrede met elkaar leven, schrijven ze: `Dat kun je bijna een bezienswaardigheid noemen.' Waarom? Dat geldt, lijkt me, voor elk bevolkingsrijk land dat een tijd lang in vrede leeft. Zoals ook elk land een geschiedenis heeft die van bloed is doordrenkt is.

Boekhouders

Maar dankzij de vertellende stijl en de uiteenzettingen met eerdere historici, rijst uit het boek wel degelijk een beeld op van het Nederlandse volk door de eeuwen heen. Het is geen beeld dat erg afwijkt van de bekende stereotypen (zoals: weinig adel, een relatief rijke bevolking, strijd tegen het water, veel vergaderen, koopmansgeest, boekhouders, en dergelijke), maar wel ingevuld met concrete voorbeelden, die veel inzicht geven.

Waarom heeft Nederland bijvoorbeeld Indië nooit echt diepgaand gekoloniseerd, zoals de Britten met India deden, terwijl Jan Pieterszoon Coen in het verre Batavia nota bene aanhoudend smeekbrieven richtte aan de Heren van de VOC om meer mankracht te sturen om zijn ideaal van een `tweede Holland in de tropen' te verwezenlijken? Hij kreeg nul op het rekest, omdat de Compagnie het genoeg vond om goed geld te verdienen, en bovendien had uitgerekend dat het aantal van een miljoen inwoners dat de toenmalige zeven provinciën telde, niet genoeg was om er een levensvatbare volksplanting elders mee te beginnen.

Het vooroudergevoel voorziet in het gebrek aan een populariserend maar degelijk overzicht op het gebied van de vaderlandse geschiedenis. Wie hiaten vermoedt in zijn kennis van het verleden (en wie doet dat niet), wie wil weten hoe het ook alweer zat met Floris V of de theologische twisten tussen Arminius en Gomarus, maar toch ook: wie de grote lijn van bijvoorbeeld de Tachtigjarige oorlog voor ogen wil krijgen, kan heel goed terecht in dit boek.

Een voorbeeldig geschiedenisboek dus? Niet helemaal: het heeft door zijn forse formaat, de luxe uitstraling en de perfect gereproduceerde schoolplaten ook iets van een al te mooie schrijn voor het verleden. Een koffietafelboek met nostalgie én niveau (`Fijn dat die vaderlandse geschiedenis zo is bijgezet, denkt de gelukkige eigenaar, en wat hadden ze vroeger toch een mooie platen op school. Nu weer even de actualiteiten van vandaag bekijken op tv.')

Voor de klassieke methode van het aanschouwelijk onderwijs – eerst het beeld, dan het verhaal, dan de feiten uit je hoofd leren – blijft intussen veel te zeggen. Naast een op zichzelf staand geschiedenisboek, is Het vooroudergevoel ook een ode aan die klassieke methode.

Jan Blokker, Jan Blokker jr. en Bas Blokker: Het vooroudergevoel. De vaderlandse geschiedenis. Met schoolplaten van J.H. Isings. Contact, 271 blz. €35,–