Tien keer `nee' tegen Europese Grondwet

Een `nee'-stem tegen de beoogde Europese grondwet zal een op hol geslagen trein tot stilstand brengen, voordat deze nog meer schade kan aanrichten, vindt John Gillingham.

Nederland, zo wordt de krantenlezers op het ogenblik overal ter wereld dagelijks voorgehouden, ligt in het epicentrum van de Europese zorgen. Economische stagnatie bedreigt het eens zo geslaagde en voorbeeldige poldermodel. Etnische en godsdienstige haat verdeelt een maatschappij die alom werd bewonderd om haar traditionele tolerantie. Een rijpe en stabiele democratie – door een geplaagd Europa dikwijls als gids beschouwd – beleeft haar hoogsteigen vertrouwenscrisis. Voor een buitenstaander lijkt het wel of zelfs de stevige Nederlanders de toekomst vrezen.

Een oplossing van de schrikbarende problemen waar Nederland voor staat – zoals de aanwezigheid van een grote, elders geboren en niet-Europese bevolking die immuun is voor assimilatie – vergt veranderingen op hoog niveau en op lange termijn, zoals een herstel van de economische groei, een versterking van de nationale besluitvorming en een openbreking van de Nederlandse samenleving.

Dit zal weer afhankelijk zijn van een revisie van de vrijwel vastgelopen Europese Unie. De beoogde grondwet, waarover Nederland in juni per referendum mag beslissen, verhelpt daar weinig aan. Die morrelt alleen wat aan het institutionele apparaat en zadelt de EU zelfs op met nieuwe verantwoordelijkheden. Na een grondige en openhartige discussie dient de bevolking het voorgestelde grondwetsproject te verwerpen. Daarna zou op democratische basis een nieuwe grondwet kunnen worden gelanceerd.

Het Nederlandse volk heeft geen andere keuze dan de beoogde Europese grondwet af te wijzen, want niemand in de Europese Unie wil hem echt hebben maar bijna iedereen is bang om nee te zeggen. Dit is een geschikt en gepast moment. Nederland is economisch niet zwak en geopolitiek niet kwetsbaar. Het hoeft niet bang te zijn voor vergelding. Als hooggeacht medeoprichter van de EU is het een morele crediteur; een negatieve stem kan niet als anti-Europeanisme worden afgedaan.

De Nederlanders kunnen niet, zoals de Ieren, aan de kant geschoven worden en ook niet worden vermorzeld als de Denen, maar er zal naar hen geluisterd moeten worden. Ook zal een `nee'-stem in juni een op hol geslagen trein tot stilstand brengen, voordat hij nog meer schade kan aanrichten.

Er zijn tien dwingende redenen om de Grondwet af te wijzen:

1. Hij heeft geen enkele bestaansreden, grondgedachte of theoretische rechtvaardiging en behelst geen nieuwe leidende beginselen.

2. Hij heeft geen democratische legitimiteit, want hij is opgesteld door één enkele, niet-representatieve gepensioneerde politicus, is geschreven met het oog op een versterking van de bestaande EU-instellingen en niet gericht op een herstel van hun gebreken, en is daarna door een EU-congres van belanghebbenden gejast. De bevolking werd niet geraadpleegd en bleef intussen grotendeels in het duister tasten.

3. Hij zal het `democratisch tekort' eerder vergroten dan verkleinen, aangezien de slecht geschreven tekst van meer dan 300 bladzijden, wemelt van de duidelijke tegenstrijdigheden, zelfs deskundigen in verwarring brengt en eerder ondoorzichtig dan verhelderend is.

4. Zijn voorkeur gaat uit naar centralisatie, want hij steunt het primaat van de EU-wetgeving, kent substantieel nieuw gezag toe aan de Brusselse instellingen en bevat onvoldoende waarborgen voor de soevereine macht en het subsidiariteitsbeginsel.

5. Hij zal vermoedelijk ook automatisch een juridische weg volgen zoals die van het Amerikaanse wettelijke federalisme, dat volgens juristen en theoretici concentratie van gezag verkiest boven decentralisatie, ook al kent het specifieke bevoegdheden toe aan de staat en reserveert het alle andere voor het volk – doordat in de beoogde grondwet waarborgen ontbreken.

6. Hij leidt niet tot opheffing of herstel van gebrekkige en verkwistende EU-instellingen, maar prutst wat in de marge en voegt een nieuwe laag ketelsteen toe.

7. Zijn aanvaarding zal de problemen van de Turkse toetreding nog compliceren, want hij biedt parlementaire vertegenwoordiging aan een dichtbevolkte, grote, nieuwe lidstaat waarvan de toetreding tot de EU in vrijwel alle andere lidstaten door een meerderheid van de bevolking ongewenst wordt geacht.

8. De afwijzing ervan zal niet, zoals vaak wordt gedreigd, de EU te gronde richten, maar zal hoogstens een vastgelopen status-quo in stand houden.

9. Maar totdat hij wordt aangenomen of verworpen, zal hij wel tot twijfel en onzekerheid blijven leiden, en de beleidsvorming verlammen of bemoeilijken.

10. Hij is inmiddels een monumentale bron van politieke verlegenheid, die – op de meest toegewijde pleitbezorgers na – iedereen maar al te graag zou vergeten.

Afwijzing van de Grondwet hoeft niet gelijk te staan aan verzet tegen het integratieproces of tegen het project-Europa, maar kan als voorwaardelijke steun daaraan worden gezien, als ze wordt opgevat als een `Ja, maar...' – vóór een democratische Europese Unie, maar tégen het ambtelijke establishment in Brussel. Een `ja, maar'-boodschap zal misschien ook delen van de bevolking buiten Nederland aanspreken. En uit een georganiseerde campagne voor een democratische en functionele hervorming van de EU-instellingen zou heel wel een Europese demos kunnen voortkomen.

Het revisieproces zou op gang kunnen worden gebracht door een nieuwe constitutionele conventie te beleggen. Deze conventie zou een representatieve bijeenkomst zijn van afgevaardigden, gekozen door het volk of benoemd door het parlement, al naar gelang de nationale traditie. De agenda zou geen belemmeringen kennen en het beraad zou niet aan een tijdslimiet gebonden worden. De opdracht zou zijn een bestuurlijk kader te organiseren voor de overdracht van die publieke verantwoordelijkheden die beter op Europees niveau dan mondiaal of nationaal vervuld kunnen worden. De werkwijze zou moeten zijn dat op grond van een gezamenlijk beginsel in een open debat gaandeweg een consensus wordt ontwikkeld.

De eerste taak zou zijn de opheffing of herstructurering van gebrekkige EUinstellingen. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) zou moeten worden afgeschaft, in plaats van geleidelijk te worden omgezet van prijssteun in grondbelegging. De verdwijning van het GLB zou de weg openen voor waarachtig parlementarisme én voor een gezonde begrotingspolitiek. De regionale steun zou jaarlijks opnieuw moeten worden toegekend, strikt op basis van het inkomen per hoofd van de bevolking. Ook zou deze beperkt moeten blijven tot een periode van economische overgang en specifiek gebruikt moeten worden om de hoge kosten te dragen die nodig zijn om te voldoen aan de EU-normen voor publieke goederen.

De financiering van onderzoek en ontwikkeling moet uit de politieke sfeer worden gehaald en weer aan de individuele lidstaten worden overgelaten, te bekostigen volgens nationale prioriteiten. De Economische en Monetaire Unie (EMU) zou zodanig moeten worden aangepast dat de euro als parallelmunt kan fungeren. De poging om een Europees Sociaal Model op te leggen, moet worden gestaakt. Het acquis communautaire behoort voorwerp van onderhandeling te kunnen zijn en zonodig teruggedraaid te kunnen worden. Over de status van de Europese wetgeving zou een speciale conventie moeten worden belegd.

Een revisie van de EU hoeft niet ontwrichtend te zijn. De functionele bestuursonderdelen zouden natuurlijk behouden worden. De nationale regeringen zouden een compensatie kunnen invoeren voor de afgeschafte overdrachtsprogramma's. Regelgevende functies kunnen op basis van verdragen naar publieke en private organen worden verschoven.

De dienstverlening zou niet verminderen, want de EU verleent geen diensten. Ook zouden de Europese defensie en interne veiligheid niet worden aangetast. Wél zou de bureaucratie verminderen. Het beste aan de EU zou behouden blijven: de economische rol als motor van liberalisering en de politieke rol als verspreider van democratische waarden.

Totdat een grondwet kan worden aangenomen of de poging er een op te stellen wordt gestaakt, zou de EU haar pretenties als grootmacht moeten laten varen en zich moeten richten op haar sterkste punten: het streven naar minder heffingen, het voltooien van de interne markt, het afdwingen van eerlijke concurrentie. Ook zou ze zelf orde op zaken moeten stellen.

Zo'n agenda inspireert misschien niet tot heldendaden, maar geeft de Europese Unie wel een welkome adempauze. De Nederlandse Voorzitter van de Raad heeft eind vorig jaar, net als de huidige Voorzitter van de Commissie, opgeroepen tot consolidatie in plaats van tot verdere stappen. Ook zij moesten erkennen dat de EU zich op het omslagpunt bevindt – en als er te hard wordt geduwd, kon ze wel eens onderuitgaan.

John Gillingham is hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Missouri (VS) en auteur van: European Integration, 1950-2003. Superstate or New Market Economy? Dit is een bewerkte versie van de Telderslezing die Gillingham vorige week donderdag in Leiden hield.

www.nrc.nl/opinie Volledige toespraak Gillingham.