Tegen de koopman

De geschiedenis van Nederland is beschreven in naslagwerken,dagboeken, proefschriften, handschriften en biografieën. De redactie van Boeken vroeg zestien kenners welk werk ze zouden nemen als ze over `hun' onderwerp uit de Nederlandse geschiedenis één boek moesten kiezen.

Enkele jaren lang heb ik elke zondagmorgen bij de halte staan wachten op de eerste bus naar Haarlem. We stonden daar met ons drieën, allemaal om dezelfde reden: we wilden in Haarlem naar de kerk. Dat schiep tussen ons gemeenschap, maar het waren wel drie verschillende kerken. Nu staan we daar nooit meer. De gemeenteraad van Bloemendaal heeft uit zuinigheidsoverwegingen het openbaar vervoer afgeschaft. Dat illustreert denk ik treffend de moeilijkheid van de vraag: wat is het ene boek dat je beslist moet lezen over de geschiedenis van Nederland als geloofsgemeenschap? Ten eerste wordt die gemeenschap slechts beleefd in verscheidenheid. Ten tweede bevestigt de geschiedenis van de kerk telkens weer, dat de koopman het wint van de dominee. Daarom moet dat boek weet hebben van beide.

Geen boek voldoent beter aan die voorwaarde dan één van de grote klassieken van onze geschiedschrijving: Busken Huets Het land van Rembrand. Huet heeft oog voor het primaat van de koopman, getuige zijn befaamde uitspraak: `Java en de Staalmeesters zijn eigenlijk onze twee beste aanbevelingsbrieven'. En hij erkent toch het hogere belang dat de dominee vertegenwoordigt, als hij de stelling waagt, dat de Republiek nooit een beter figuur geslagen heeft dan na de triomf van het calvinisme op de synode van Dordrecht. Huets complimenten aan Calvijn berusten niet op innerlijke sympathie. Het echte Nederlandse geestesmerk is volgens hem dat van Erasmus. De energie van de calvinisten was nodig om de opstand tegen Spanje tot een goed einde te brengen. Toen de zege eenmaal veilig was gesteld, hernam de landaard haar rechten. Gematigdheid kreeg de overhand, en Nederland werd een erasmiaanse natie.

Ook die probleemstelling loopt door de Nederlandse kerkgeschiedenis heen. Tot vandaag toe brengt ze scheiding aan, zodat ook onder de hedendaagse historici de vrienden van Erasmus en de medestanders van Calvijn gemakkelijk herkenbaar blijven. Huet is geen uitzondering, maar legt ondanks zijn erasmiaanse voorkeur een uitgesproken afkeer aan de dag voor de liberale traditie. De koopman die regent wordt doet noch de kerk noch de geestelijke vrijheid goed.

Daarom vind ik Het Land van Rembrand een nog altijd even prikkelend als stimulerend commentaar op de Nederlandse kerkgeschiedenis. Huets zelfverzekerde beweringen naderen nu en dan heel dicht de boutade, maar Huet stelt ons in elk geval voor de grote vragen. Wekt zijn boek bij ons dan de behoefte aan het zoeken van nieuwe antwoorden, dan heeft het de beide voornaamste eisen vervuld, die men aan historische studies kan stellen. Zijn boek geeft een scherp getekend en door eigen onderzoek verantwoord beeld. En tegelijk spoort het met zijn eigenzinnige positiekeuzen de kritische lezer voortdurend aan tot verificatie en controle. Dan zal hij op den duur wellicht geheel losraken van Huet. Maar het gaat ook niet om een boek dat voor altijd het laatste woord heeft. Het gaat om de eerste stap, die ons aanzet nu op eigen kracht een tweede te zetten.

Conrad Busken Huet: Het land van Rembrand. Studiën over de Noordnederlandsche beschaving in de zeventiende eeuw [1882-1883].