Praatgrage meester

De geschiedenis van Nederland is beschreven in naslagwerken,dagboeken, proefschriften, handschriften en biografieën. De redactie van Boeken vroeg zestien kenners welk werk ze zouden nemen als ze over `hun' onderwerp uit de Nederlandse geschiedenis één boek moesten kiezen.

David Beck was een voorbeeldig ingeburgerde allochtoon toen hij op 1 januari 1624 in zijn dagboek noteerde dat het die maandag `dapper sneeude', maar dat het 's avonds begon te regenen en te `doeijen'. De toen 29-jarige in Keulen geboren Haagse schoolmeester zou dat jaar elke dag een uitvoerige notitie maken over zijn activiteiten. Het werden 365 kleine persoonlijke reportages, gebundeld in Spiegel van mijn leven. Wie hem leest, leeft met hem mee. Je weet elke dag wat hij heeft gedroomd, wat voor weer het is, welk nieuws er in de kranten staat, welke preek hij bijwoont, hoe het op zijn schooltje toegaat, bij wie hij een bezoek aflegt en wat 's avonds de pot schaft (veel kool, worst en spek, maar op 31 maart kalfshutspot met snoek `ende daerop ene goede pot wijns'). Veel dichter op de huid van een zeventiende-eeuwer kan je niet komen.

Beck behoorde niet tot de elite, hij was geen geleerde en geen predikant, maar hij geeft blijk van een behoorlijke eruditie en een grote nieuwsgierigheid. Hij leest veel, niet alleen Nederlands en Duits, maar ook Italiaans en Frans (Rabelais en Montaigne bijvoorbeeld). Hij speelt viool en fluit, hij zingt en tekent. Omdat hij in Den Haag woont en veel wandelt ziet hij ook de personages lopen die in zoveel geschiedenisboeken figureren, zoals de stadhouder, de Winterkoning met zijn gevolg, vorstelijke bezoekers, veel diplomaten en hij komt op één dag zowel Jacob Cats als Constantijn Huygens tegen.

In Becks dagboek, dat in het Gemeentearchief van Den Haag berust, lezen we ook over zaken die je nergens anders tegenkomt. Je wordt je bewust van een volstrekt ander ander tijdsbesef, en andere vormen van vrijetijdsbesteding. En vrije tijd had Beck in overvloed. Zijn vrouw was het jaar daarvoor overleden, zijn dochtertje had hij uitbesteed. Behalve aan lezen, schrijven, musiceren en tekenen ging veel tijd op aan wandelen, in Den Haag en daaromheen tot aan Delft toe. Wandelingen en bezoeken duurden uren. Er werd eindeloos gepraat — `om de tijt te korten' zoals hij dat op 7 maart omschrijft. Opvallend is hoeveel verschillende woorden hij daarvoor gebruikt: spreken, praten, maar ook klappen, parlementeren, discoureren, speculeren, het houden van dispuutjes en van praetjens. We lezen ook waarover. Nieuwtjes worden uitgewisseld over vrienden en familieleden, maar ook over de gebeurtenissen in de rest van Europa en in de Oost en de West, die mondeling of via kranten en pamfletten bekend werden.

David Beck kan ook uren doorbrengen met zijn vriend Herman Breckerfelt, een nu vergeten schilder. Beiden houden van kunst en spreken daar lang over. Breckerfelt heeft ooit een portret van Beck gemaakt, maar dat is verloren gegaan. Gelukkig hebben we dit dagboek nog. Geen zeventiende-eeuwer heeft zo'n mooi zelfportret geschreven als deze praatgrage schoolmeester.

David Beck: Spiegel van mijn leven. Haags dagboek 1624. Ingeleid en van aantekeningen voorzien door Sv. E. Veldhuijzen [1993].