Op revolutionair ijs

De geschiedenis van Nederland is beschreven in naslagwerken,dagboeken, proefschriften, handschriften en biografieën. De redactie van Boeken vroeg zestien kenners welk werk ze zouden nemen als ze over `hun' onderwerp uit de Nederlandse geschiedenis één boek moesten kiezen.

In een handschrift van 800 bladzijden probeert Willem van den Hull, als hij zestig is geweest, lijn te brengen in zijn leven. Dat begon in 1778, toen hij in Haarlem werd geboren als zoon van een onderbrievenbesteller. Zijn vader was een radertje in de complexe logistiek van het trekschuitenverkeer tussen Amsterdam en Haarlem. Zoon Willem schopte het tot eigenaar van een chique Haarlemse kostschool. Zelfbewust maar ook wat verbaasd brengt hij die sociale stijging in kaart. Hij ziet die deels als een overwinning op het rigide standensysteem, maar weet zich daarvan tegelijk afhankelijk.

Van den Hull heeft geen talent voor ondergeschiktheid. Maar maatschappelijk succes maakt hem soms onzeker. Hij is overgevoelig voor signalen dat het succes hem niet wordt gegund. Na schooltijd wordt hij vaak opgewacht door leeftijdsgenoten die hem een aframmeling willen geven. Later, als hij langs het opengeschoven raam van de juffrouwen Bontems kuiert en klaterend gelach hoort opgaan, voelt hij zich mikpunt van hun spot. Het meest windt hij zich op over de Waalse predikant en schoolopziener Teissèdre l'Ange, die geen kans voorbij laat gaan hem zijn nederige afkomst in te wrijven. L'Ange wordt een obsessie en vormt de directe aanleiding voor deze autobiografie.

Obsessief is Van den Hull ook in de liefde. Door een toevallige ontmoeting raakt hij smoorverliefd op de Drentse freule Lina de Vos van Steenwijk, die elk jaar een paar dagen in Haarlem logeert. Elf jaar lang bijt hij zich vast in deze brandende, maar hopeloze liefde. De afstand tussen beiden is immers onmetelijk groot. Het lijkt alsof hij deze onmogelijke liefde cultiveert om wel bereikbare vrouwen (die zich zelfs seksueel aan hem opdringen) op een afstand te houden. Achteraf ziet hij Lina als de wraak van God voor wat hijzelf al die hunkerende dames heeft aangedaan.

Dit egodocument is meer persoonlijk dan politiek. Toch blijkt voortdurend dat we omstreeks 1800 in turbulente tijden leven. In 1787 noteert hij hoe het patriottisme het hele maatschappelijke leven lamlegt. Brave huisvaders hebben het zo druk met soldaatje spelen en vergaderen dat ze hun gezin verwaarlozen. En als de gelijkheid bij de Bataafse Omwenteling in 1795 toeslaat, schildert hij een toneeltje uit de Haarlemse raad waar koekebakker Bastiaan Weevering zijn deftige mederaadsleden op Deventer koek trakteert. In 1815 wordt de politiek heel persoonlijk als zijn broer Piet gewond raakt in de slag bij Waterloo en enkele weken later overlijdt. Van den Hull raapt Piet zelf op van het slagveld waar hij zeven dagen en nachten op hulp heeft liggen wachten, omgeven door ramptoeristen en souvenirjagers.

Van den Hulls autobiografie – die pas in 1992 door de familie werd afgestaan en in 1996 gepubliceerd – is een indrukwekkend en ontroerend egodocument. Geen mens is zo trots als een goed schaatsenrijder, schrijft hij ergens. Het lijkt een metafoor voor zijn eigen leven: hoe hij zich met zwier heeft voortbewogen op het gladde ijs van de maatschappelijke verhoudingen omstreeks 1800.

Willem van den Hull: Autobiografie (1778-1854). Bezorgd door Raymonde Padmos [1996].