Oma hield de rug kaarsrecht

Toon Tellegen en Nelleke Noordervliet diepten de levens van hun negentiende-eeuwse grootouders op. Hoe de één fortuin maakte in Rusland en de ander solliciteerde als min van Wilhelmina.

Voorouders hebben iets magisch, omdat ze uit een wereld komen die niet meer bestaat. Hier ligt natuurlijk altijd het gevaar van de nostalgie op de loer, want bij nader inzien blijkt die wereld uit tal van subwereldjes te bestaan die maar weinig met elkaar te maken hebben.

Zo is de grootvader van Toon Tellegen, Egbert Engberts, in 1875 geboren in tsaristisch Rusland en werd de overgrootmoeder van Nelleke Noordervliet, Engelbertha Wiggelaar, als dienstmeisje in Arnhem door de zoon des huizes bezwangerd. Hun levens verliepen zoals gebruikelijk was in de negentiende eeuw. Het ene in het kansvolle milieu van de burgerij, het andere in dat van het kansarme grootstedelijk proletariaat. In Herinneringen aan Rusland en Altijd roomboter worden die werelden van verschil op bijzondere wijze beschreven.

Na Engbers' overlijden werden zijn memoires door zijn dochter gered van het oud vuil, en na haar dood voorkwamen zijn kleinkinderen Toon en Adinka Tellegen opnieuw dat het manuscript werd weggegooid. Egbert Engberts' ouders kwamen uit Vriezenveen, een dorp in Twente. Vriezenveense kooplieden reisden sinds 1725 naar Sint Petersburg. Ze hadden zo'n succes dat ze zich permanent in de Russische hoofdstad vestigden. Op den duur waren de mooiste winkels aan de Nevski Prospekt die van de Vriezenveners. De tsaar kocht zijn sigaren bij de firma Ten Cate.

Engberts leidde in Rusland een comfortabel leventje als zakenman. Herinneringen aan Rusland zijn de memoires die hij in 1929 over die heerlijke tijd schreef. Hij woonde toen al ruim tien jaar in Leiden, waar hij na de revolutie van 1917 neerstreek en een paar jaar lang een weinig succesvolle banketbakkerij had – hij deelde zijn Russische pasteitjes vaker uit dan dat hij ze verkocht. Zijn Russische jaren waren het hoogtepunt uit zijn leven.

De herinneringen aan zijn `eerste leven' bieden een haarscherp inkijkje in het Sint Petersburg van voor de Eerste Wereldoorlog. Of het nu gaat over de brandweer die als in een operette met veel vlagvertoon en hippische dramatiek uitrukt, de glamourachtige viering van het Russisch-orthodoxe paasfeest of over de corruptie onder de tsaristische politiecommissarissen, steeds weet Engberts er iets boeiends over te vertellen. Herinneringen aan Rusland is dan ook een belangrijk document humain. Zo heb ik nergens een betere en compactere beschrijving van de `Russische ziel' gelezen als in zijn verslag van de vastentijd: `Het voor een wijle zoekgeraakt contact met de dingen der eeuwigheid was weer hersteld. En het grote heimwee naar Omhoog, naar het Onvergankelijke, vervulde de gevoelige Russische ziel des te geweldiger naarmate hij zich kort tevoren meer door het aardse, tijdelijke had laten omlaag trekken...'

Ondanks alle misstanden die Engberts signaleert, koestert hij sympathie voor de Romanovs. De ijzeren hand waarmee zij Rusland regeren ziet hij als een gevolg van hun overtuiging dat het half-barbaarse Rusland anders in anarchie ten onder zou gaan. Dat het verzet tegen de maatschappelijke ellende zo lang uitbleef, had volgens Engberts alles te maken met de Russische `lijdzaamheid'. De gewone Rus was in die optiek geen revolutionair. Revoluties in het land waren altijd begonnen door edelen, officieren of leden van de hogere burgerij. Het volk diende daarbij hoogstens als kanonnenvlees. De februarirevolutie van 1917 juichte Engberts echter toe, al had hij grote minachting voor de moordzuchtige bolsjewieken die in oktober van dat jaar een staatsgreep pleegden en een nieuwe dictatuur invoerden. Een dictatuur waarvan hij de bloeddorst op waarde weet te schatten. Zo schrijft hij in 1929, uit verontwaardiging over het uitblijven van enig Nederlands protest tegen de gruweldaden van de bolsjewieken: `En zeker hebben alle tsaren tezamen, over driehonderd jaar gerekend, bij lange na niet het aantal mensen ter dood gebracht dat de tegenwoordige bewindhebbers in elf jaar tijd hebben doen terechtstellen, de honderdduizenden levens die ze indirect door ellende en honger hebben vermoord en gebroken niet meegerekend.' Een helder oordeel, waarmee hij zijn tijd en vooral zijn progressieve tijdgenoten ver vooruit was.

Kwam de overgrootmoeder van schrijfster Nelleke Noordervliet maar uit Vriezenveen, denk je bij lezing van Altijd roomboter, een fascinerende mengeling van non-fictie en fictie. Want haar lot was niet te benijden. Noordervliet heeft wat ze weet uit de familieoverlevering gecombineerd met haar fantasie en de geschiedschrijving over de kleine luiden, de gynaecologie en de opkomende arbeidersbeweging in de negentiende eeuw. Op die manier kleurt ze de hiaten in haar kennis in en ontstaat een indrukwekkend portret van een vrouw met een sterke persoonlijkheid in moeilijke tijden.

Engelbertha Wiggelaar, geboren in 1856, groeide sinds ze op haar elfde haar moeder verloor op in het deftige Arnhemse Burgerweeshuis. Ze kreeg er een goede opvoeding en vond als dienstmeisje werk bij een keurige familie.

Altijd roomboter begint op haar twintigste, als Engelbertha wordt ontslagen nadat de zoon des huizes een kind bij haar heeft verwekt. Ze gaat terug naar het weeshuis, waar de weesmoeder zegt: `Zo is het leven, kind. Je moet erin berusten. Je moet je plaats kennen en niet in opstand komen tegen het lot. Het is je eigen schuld. De schuld van je zondige vlees.' Je plaats kennen, berusting in je lot, daar draait het in het boek voortdurend om.

Door haar `zonde' is Engelbertha een minderwaardig wezen. Noordervliet beschrijft als in een roman de vernederingen die Engelbertha ondergaat, zoals op de gynaecologische afdeling van het Utrechtse ziekenhuis waar ze bevalt. Als een stuk vee wordt ze er door de artsen onderzocht. Niemand is er te vertrouwen, zelfs de aardige dame niet die aan haar kraambed komt zitten en haar blijkt te willen ronselen voor een bordeel.

Aan de hand van de geschiedenis van haar overgrootmoeder roept Noordervliet een wereld van onrecht op, waarin een dienstmeisje maar net iets meer waard was dan een prostituee. Dienstmeisjes werden vernederd en seksueel misbruikt, al naar gelang het hun bazen beliefde. Ze hadden geen enkele rechten. Rond 1875 werkten honderddertigduizend meisjes van eenvoudige komaf als dienstmeisje bij zo'n zeven procent van de Nederlandse huishoudens. `Het was een vorm van slavernij', schrijft Noordervliet terecht.

Opvallend is dat Engelbertha na haar bevalling terugkeert naar Arnhem en opnieuw dienstmeisje wordt bij de vader van haar kind, die inmiddels getrouwd is. En weer gaat ze met hem naar bed, uit liefde, terwijl hij het uit lust doet omdat zijn vrouw niet met hem wil vrijen. Als ze opnieuw zwanger raakt, wordt ze het huis uitgesmeten. In Leiden bouwt ze een nieuw leven op. Ze ontmoet er haar man die uiteindelijk als postbode de kost verdient, krijgt twaalf kinderen en leidt een bescheiden leven temidden van het Leidse proletariaat.

Altijd roomboter zit vol aangrijpende details. Zo wordt Engelbertha door haar schoonfamilie en buren als iemand met kapsones gezien omdat ze sommige manieren en voorkeuren van haar voormalige Arnhemse werkgevers heeft overgenomen. Ze wil een keurige vrouw zijn, smeert anders dan haar standgenoten alleen echte boter op haar brood en solliciteert naar de functie van min van prinses Wilhelmina. Op een dag krijgt ze bezoek van een hofdignitaris die komt kijken of ze geschikt is voor die baan. In haar beschrijving van dat bezoek fileert Noordervliet de neerbuigende houding van de hogere standen tegenover het gewone volk op zo'n aangrijpende manier dat je het er benauwd van krijgt. En dan is er ook nog de magie van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de magische voorman van de arbeidersbeweging, die ook in Leiden zijn gehoor betoverde.

Het zijn mooie hoofdstukken in een boek dat een indrukwekkend beeld geeft van de Nederlandse onderklasse rond 1900, maar vooral van de moeizame worstelingen van enkelen om aan hun lot te ontsnappen. Engelbertha's achterkleindochter Nelleke, geboren in 1945, was de eerste in de familie die mocht doorleren en naar de universiteit ging. In datzelfde Leiden waar de collegebanken in 1900 alleen voor de zoontjes van de bourgeoisie waren gereserveerd.

Egbert Engberts: Herinneringen aan Rusland. Met een inleiding van zijn kleinzoon Toon Tellegen. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 239 blz. €15,95

Nelleke Noordervliet: Altijd roomboter. Augustus, 204 blz. €15,–