Machinerie van woede en wraakzucht

De opera `Norma' is het chef d'oeuvre van Bellini. Nelly Miricioiu is een zangeres die zich zonder schroom voor de leeuwen durft te gooien.

De ijzige vrieskou doet het Amsterdamse Muziektheater op deze maandagmiddag van buiten op een reusachtige iglo lijken. Binnen in de zaal heerst een vertrouwd, niet seizoensgebonden schemerduister. Het gonst er van de activiteiten rond Guy Joostens nieuwe enscenering van de opera Norma van Vincenzo Bellini (1801-1835), die op 7 maart haar première zal beleven. Er is een doorloop zonder kostuum van de tweede akte gaande. De mannen van het koor van de Nederlandse Opera hebben zich opgesteld rondom een forse boomstam, die overdwars op het podium ligt. Geveld, omver gewaaid in een storm, de knoestige worteltenen krommen zich in het luchtledige.

In hun alledaagse kleren, maar met speren, schilden en een sporadische helm, zien de koorleden er een beetje koddig uit. ,,Dolce, zo zacht mogelijk, en misterioso'', worden ze geïnstrueerd door dirigent Julian Reynolds. Links op de voorgrond neemt sopraan Nelly Miricioiu, de vertolkster van de titelrol, bewegingen door met haar tegenspeler Hugh Smith. Gehuld in een vlammend oranje mantel met scharlaken binnenvoering, heft ze vol indignatie een dolk boven haar met een diadeem bekroond hoofd en dreigt toe te steken. Ze bevriest een moment in deze klassieke diva-pose, alvorens Smith achteruit deinst.

`Fiasco, fiaschissimo', zo luidde het onthutste commentaar van Bellini na de eerste uitvoering van Norma in december 1831 in het Teatro alla Scala in Milaan. Een mislukking bleek een voorbarige en onjuiste conclusie. Het premièrepubliek was nog ontstemd, doordat de finale van de eerste akte niet volgens de conventie met een groot ensemblestuk eindigde, maar door Bellini en zijn librettist Felice Romano werd besloten met een terzet. En dat de titelheldin van het verhaal buitenechtelijke kinderen had, vond men evenzeer niet erg kies. Maar spoedig kon men niet meer om de charme en eenvoud van Bellini's soepele melodieën heen, viel men als een blok voor het raffinement van zijn vocale lijnen en groeide Norma uit tot het chef d'oeuvre van het belcanto-repertoire.

Flinterdun

De wanden van Bellini's muzikale bouwwerken zijn flinterdun, waar niet genoeg eer mee te behalen valt. Nergens zal Bellini het muzikale discours verdiepen met een vierstemmig contrapunt. Maar simpele muziek is ook moedige muziek. En, indien geslaagd, ook heel erg slimme muziek. Bellini lijkt alleen in actie te komen waar het noodzakelijk is en deelt waar nodig rake klappen uit met het koor en orkestrale tutti's.

Het is juist de spaarzaamheid en het gedoseerde van de muzikale omlijsting, die een geheimvolle spanning teweegbrengt met de complexe gelaagdheid van de zang. Zijn belcanto zet alle kaarten op het vocale, op een verklanking door de stem van de innerlijke gevoelslagen van de tekst. Totale bekoorlijkheid is het ultieme streven. Belcanto verleent een verguld randje aan de lichtheid van het bestaan. De zanglijn trekt sierlijke, horizontale curven en wordt hier en daar ondersteund door wat verticale stippellijntjes, arceringen van de strijkers. Op de hoekpunten van de melodie neuriën klarinetten klaaglijk op de achtergrond mee. Bellini serveert muzikale gerechten die slecht uit een paar ingrediënten zijn samengesteld, maar een maximum aan effect weten te bewerkstelligen.

Het is ook geen muziek die noodzakelijkerwijs is gebaat bij een wetenschappelijk verantwoorde, authentieke uitvoering. Het liefst hoor ik Bellini door een stoffig, verveeld orkestje, onderbetaald en ondergerepeteerd. Met een dirigent, die met iedereen in het operahuis al eens een keer knallende ruzie heeft gehad en die het allemaal geen zak meer kan schelen. Zet daar dan een zangeres voor, die zich zonder schroom voor de leeuwen durft te gooien en weet hoe ze een zaal om haar vinger moet winden, en wonderen zullen geschieden.

De Roemeens-Engelse zangeres Nelly Miricioiu is zo iemand. Sinds ze in 1979 het Internationale Vocalisten Concours in 's Hertogenbosch won, hebben haar belcanto-vertolkingen bij het publiek een diva-achtige verering teweeggebracht in operahuizen over de gehele wereld. In ons land geniet ze de meeste bekendheid door haar optredens tijdens de VARA-matinee in het Concertgebouw. Als zij daar optreedt, breekt men de tent af. En met reden. Zelden hoor je een coloratuursopraan die een dermate verfijnde techniek heeft en tegelijk zo natuurlijk en optimaal gebruik maakt van de speelruimte die het belcanto biedt.

Het meest voor zich spreken eigenlijk de krantenkoppen, waarin alle superlatieven uit de kast gehaald worden. Nooit komt ze gewoon ergens een mopje zingen: Miricioiu schittert, triomfeert, is de fonkelende parel en de Koningin van het Belcanto. `Nelly Miricioiu laat haar aanhang feesten in het Concertgebouw', schreef Kasper Jansen in april 1994 in deze krant. `En na afloop werd Miricioiu - zoals gebruikelijk - hartstochtelijk toegejuicht en door het publiek bedolven onder veel meer bloemen dan zij kon torsen.'

Bloeddorst

Gallië is rond het jaar 50 voor Christus bezet door de troepen van Julius Caesar. Ook in onze contreien werd het licht der beschaving middels kolonialisme en slavernij ontstoken.

Heel Gallië? Nee, een kleine nederzetting blijft dapper weerstand bieden tegen de Romeinse overheersers. In het heilige woud van de Druïden komen de Gallische krijgers bijeen bij het altaar van de god Irminsul, in afwachting van de opkomst van de volle maan. En van priesteres Norma, die de maretak zal afsnijden en, naar zij hopen, zal oproepen tot een heilige oorlog tegen de illegale Romeinse bezetter. Maar in plaats daarvan heft Norma `Casta diva' aan, een smeekbede aan de maan om met haar zilveren licht de bloeddorst in de harten van de menigte te temperen en misschien wel de allermooiste aria uit de operageschiedenis.

Haar pacifisme wordt mede ingegeven doordat ze een heimelijke verhouding heeft met Pollione, de Romeinse proconsul van Gallië en vader van haar twee kinderen. Deze Pollione is echter een beetje op Norma uitgekeken en heeft het aangelegd met nog een andere priesteres, Adalgisa. Met haar wil hij naar Rome terugkeren, als zijn termijn erop zit. Een fatale misrekening, want natuurlijk komen Norma en Adalgisa er tijdens gesprekken over de liefde achter dat ze het over één en dezelfde man hebben.

Een machinerie van woede en wraakzucht wordt in gang gezet. Pollione, in wiens macht het zou liggen om dat hele Bretonse woud met de grond gelijk te laten maken, wordt door de twee dames dusdanig vocaal door de mangel gehaald, dat er niet veel meer van hem overblijft dan een zielig hoopje tenor. Murw door de stortvloed van aria's, furieuze duetten en opzwepende koorpassages, verdwijnt hij aan het slot berouwvol, samen met Norma, vrijwillig op de brandstapel. In de hoop dat hij dan toch aan gene zijde het genot van de eeuwige liefde zal smaken: Là più santo incomincia eterno amor. Zelfs de Galliërs worden er beduusd van.

Na afloop van de repetitie, drinken we een glas wijn in de artiestenfoyer. De spreekstem van Nelly Miricioiu heeft een lichter timbre dan ik had verwacht. Met het optrekken van een ooglid, zet ze accenten in haar betoog kracht bij. ,,Ach, Norma. Volgens Rosa Ponselle betekende het zingen van Norma het einde van haar carrière. De rol van Norma zingen stelt heel specifieke eisen en vereist veel uithoudingsvermogen. Er zijn voortdurend grote sprongen in de registers, van de extreme laagte naar de hoogte. En zonder enige voorbereiding, zoals dat bij Donizetti wel het geval is. Dat maakt het heel moeilijk om de zanglijn steeds goed in te kleuren, trefzeker de accenten te leggen en steeds weer de goede samenklank met het orkest of de overige zangers te vinden. En het zit vol met passages die veeleisend zijn qua volume.

,,Maar ik klaag niet, want door deze elementen is de partituur van Norma de rijkste en boeiendste die ik ken. Ik hou er verder niet van om opera's of componisten met elkaar te vergelijken. Iedere partituur heeft zijn eigen stem, een eigen grondtoon. En die probeer ik te vinden. Ik weet ook niet of en hoe mijn vertolking van Norma sinds 1985 met de jaren anders is geworden. Wat ik wel weet, is dat ik iedere avond weer anders zing. Aan de basis ligt natuurlijk mijn techniek en kennis, die ik opdoe door oude opnames te beluisteren en alles te lezen wat ik kan vinden op het vlak van de oude school van de zangkunst.

,,Een paar dagen geleden nog, vond ik hier in Amsterdam een boek van een oude belcanto-maestro, een zangpedagoog die niemand meer kent. Maar de interpretatie van een rol en de wijze waarop ik versieringen plaats, laat ik van het moment afhangen. Dat moet fris en spontaan totstandkomen, omdat het me dichter bij de muziek brengt en me in staat stelt om me voor iedere voorstelling weer opnieuw op te laden. Het is niet zonder gevaar of risico's, maar het maakt een vertolking wel levend.''

Wat onmiddellijk opvalt aan Bellini's muziek, zijn de trage, breed uitgesponnen melodieën en zijn drang om aan de dramatiek van de tekst volledig de vrijheid te gunnen. Hij weigert de woorden ondergeschikt te maken aan de vaste, gangbare patronen, waardoor zijn aria's meer verbrokkeld van vorm zijn, of een veel vloeibaarder gestalte aannemen. Ook het recitatief, met zijn droge parlando-stijl, is in de opera's van Bellini geheel verdwenen. Alles is erop gericht om er één groot doorlopend en gestroomlijnd zangfestijn van te maken. Zelf zag hij het zo: `Opera moet mensen doen huilen, huiveren en sterven door de zang. Het is verkeerd om alle nummers hetzelfde te willen behandelen, ze moeten juist allen zodanig gevormd zijn, dat ze de muziek begrijpelijk maken door de helderheid van hun expressie, en tegelijk moet het beknopt en frappant zijn.'

Vincenzo Bellini werd geboren in Catania op Sicilië en kreeg het eerste muzikale onderricht van zijn grootvader. Een beurs stelt hem als puber in staat om aan het conservatorium in Napels te gaan studeren bij Niccolò Zingarelli. `Leer de grammatica van de muziek, om deze vervolgens zo goed mogelijk te verbergen', hield deze hem voor. Hij maakt er kennis met de bloeiende Napolitaanse operawereld, de werken van Rossini en Spontini en zet er zijn eerste schreden als operacomponist met Adelson e Salvini (1825). Het werk is meteen een hit, evenals zijn tweede opera Bianca e Fernando.

Zegetocht

Het Napelse succes stelt hem in staat om de sprong te wagen naar het lucratievere Milaan en vervolgens brengt zijn zegetocht hem in Parijs. Daar ontmoet hij Chopin, Berlioz en de dichter Heinrich Heine, die de schuchtere Bellini, met zijn ranke, blonde verschijning omschrijft als `een zucht op dansschoentjes'. Een infectie aan de ingewanden was de oorzaak van Bellini's voortijdige dood. En dat op het hoogtepunt van zijn roem, zoals voorspeld door Heine. Het bezorgde Bellini ogenblikkelijk een status van mythische proporties.

Over geen andere 19e-eeuwse componist bestaan zoveel onzinverhalen als over Bellini. Alle kerkklokken op Sicilië zouden spontaan zijn gaan luiden bij zijn geboorte, een gebeurtenis waar zijn moeder ook hemelse klanken bij ontwaarde. Toen hij vijftien maanden oud was, zong hij spontaan een cantate mee tijdens het kerkbezoek. Toen hij in 1876 werd herbegraven en van Père-Lachaise werd overgebracht naar de kathedraal van Catania, stopte de trein met zijn kist onderweg bij ieder station in Italië, waar de lokale fanfare hem steevast opwachtte, er een processie voorbij trok en de overledene uitvoerig gelauwerd werd. Er ontstond een levendige handel in lokken haar van het opnieuw gebalsemde lichaam.

Een breed uitgesponnen melodiek, ongebreidelde ruimte voor de tekst en een hang naar het mythologische en sprookjesachtige? Het vermag geen verbazing wekken dat de jeugdige Richard Wagner (1813-1883) zich een groot bewonderaar van de opera's van Bellini toonde. Waar de Gallische wouden voor Bellini een vorm van exotisme waren, maakte Wagner van de klamme bossen zijn natuurlijke habitat, om aldaar de principes van Bellini op hun uitersten te testen.

Maar de invloed van Bellini doet zich ook gelden in de muziek van Michail Glinka (1804-1857) Glinka groeide op op het Russische platteland, maar zijn oom Afanasi had daar wel als grootgrondbezitter een orkest samengesteld uit lijfeigenen, waardoor hij toch in contact kwam met westerse muziek. Nieuwsgierig geworden door ervaringen met Italiaanse opera in Petersburg, reist hij in 1830 af naar Milaan, waar hij met Bellini en Donizetti bevriend raakt en zich in hun muziek verdiept. In 1834 componeert Glinka Een leven voor de tsaar en is de geboorte van de Russische opera, een ander godsgeschenk, een feit.

Wagner schrijft in 1837: `Laten wij nu voor een keer onze argwaan varen, onszelf een preek besparen, en ons afvragen wat het nu werkelijk is dat ons zo betoverd. We zullen ontdekken dat het de zuiverheid van de melodie is, de simple, nobele, beeldschone zang. Om dit toe te geven en je hieraan over te leveren, kan waarlijk geen zonde zijn.'