Kroniek van de toekomst

Dit is het aardige van geschiedwetenschap. Dat je eeuwenlang denkt dat de Batavieren op boomstammen de Rijn afzakten, dat je zeker weet dat je daar een prent van hebt gezien, of zelfs een foto. En dat je dan hoort dat ze gewoon te paard uit de Duitse bossen naar het rivierengebied zijn getrokken om tussen Maas en Waal de boel voor de Romeinen op orde te houden.

Het is minder spectaculair dan koude kernfusie, eerder een bijstelling dan een ontdekking, maar het is wel de essentie van wetenschap: argwaan ten aanzien van algemeen bekend veronderstelde kennis. Zo kan de historicus Wim Blockmans nu keizer Karel V `de Vader des Vaderlands' noemen in plaats van Willem van Oranje. Zo kan Jan Campert van verzetsman een halve collaborateur worden en straks weer terug. Historische kennis kalft af, en slibt weer aan.

Die karakteristiek van het vak verdraagt zich moeilijk met de pretentie van een overkoepelende canon, die zich voordoet als een verzameling van boven elke twijfel verheven historische feiten en oordelen. In de huidige verwarrende tijden bloeit de behoefte aan zo'n vastgelegde nationale grondtoon. Politici vinden dat een historische canon de samenleving houvast en trots moet bieden. Dat doe je niet door Pim Fortuyn best wel een belangrijke man te noemen. Dat doe je wél door hem uit te roepen tot Grootste Nederlander Aller Tijden.

Op deze pagina's spreken zes historici over zes `canonieke' periodes in de Nederlandse geschiedenis. Ze geven weinig reden om te denken dat de historische wetenschap ooit een canon zal produceren die politici deugd zal doen. De één wijst erop dat het Nederlands verleden te divers is voor zo'n nationale canon. De ander vreest dat een canon de geschiedwetenschap tot een verlengstuk zal maken van heersende politieke opvattingen.

En de enige buitenlander in het gezelschap ten slotte, een Amerikaan met een leeropdracht in Nederland, formuleert het in een mooie paradox: ,,Zolang historici het met elkaar over de canon oneens blijven, is er weinig aan de hand.''

Hier is bekering altijd radicaal

James Kennedy is hoogleraar nieuwste geschiedenis aan de Vrije Universteit te Amsterdam.

Is er in de afgelopen dertig, veertig jaar meer feitenkennis over de revolutionaire jaren zestig bijgekomen?

,,Hooguit zaken die met buitenlandse relaties te maken hebben. Sinds de Stasi-archieven zijn opengegaan, weten we nieuwe dingen over de vervlechting van linkse figuren en organisaties met de regimes in het Oostblok. Maar ik kan me nu geen vondst voorstellen die onze blik op de jaren zestig wezenlijk zal veranderen. Het is meer een kwestie van steeds opnieuw min of meer dezelfde kennis organiseren.''

Is er een verschuiving in het historische paradigma opgetreden?

,,Volgens mij is bij de belangrijkste historici het eenvoudige idee van de revolutionaire generatie van de jaren zestig wel verdwenen. Dat idee bestaat nog wel en is natuurlijk ook niet vrij van romantiek. Je ziet wel dat, in Nederland en internationaal, onder historici die uitgaan van de jaren zestig als belangrijke cesuur, zich vooral mensen bevinden die waardering hebben voor de ideologie van bevrijding van de jaren zestig. Daarnaast heb je historici die de cesuur pas zien in de jaren tachtig, als het partijstelsel implodeert en oude terminologieën verdwijnen. Ik ben zelf meer van de continuïteit. Ik was de eerste die schreef dat de revolutie van de jaren zestig is voorbereid, gesteund en soms zelfs gemaakt door de vooroorlogse generatie. In de populaire literatuur en de media zie je dat schrijvers nu de nadruk leggen op de jaren zestig als de tijd dat Nederland de verkeerde weg insloeg: aanklachten tegen de losbandigheid, naïviteit en linkse drammerigheid van die jaren. Mij fascineert de collectieve bereidheid om ineens afscheid te nemen van oude waarden en zich tot nieuwe te bekeren. Ik zie die forse omslagen als een typisch Nederlands fenomeen in de geschiedenis.''

Kunnen we binnenkort nog nieuwe gezichtspunten op de jaren zestig verwachten?

,,In Nederland is kennis op een wonderlijke manier georganiseerd. Iedere onderzoeker heeft hier zijn eigen bergje waar hij, soms zij, de baas is. De jaren zestig waren van Utrecht, van Hans Righart. Door diens dood in 2001 is daar een gat gevallen. Er is wel internationale interesse voor de Nederlandse sixties. Engelse, Franse en vooral Duitse onderzoekers kijken naar de opvallende Nederlandse componenten, zoals de politieke verdraagzaamheid, de sociale experimenten en de religieuze dimensie. Met name de razendsnelle `bekering' van de katholieke kerk in Nederland is fascinerend en onderbelicht. Daar zullen ook jonge Nederlandse onderzoekers zich wel op gaan storten.''

Een eeuw zonder vaderland

Willem Frijhoff is hoogleraar Geschiedenis van de Nieuwe Tijd aan de VU, Amsterdam.

Wat is er de afgelopen decennia veranderd in de kennis over de opstand en de Gouden Eeuw?

,,Ik heb de Algemene Geschiedenis van Nederland van vijftig jaar geleden eens opgeslagen en dan zie je iets heel opvallends. De opstand was veel belangrijker dan de Gouden Eeuw. Er is een heel deel aan de opstand gewijd, over de dertig jaar tussen 1567 en 1609. Veel politiek en economie en maar een beetje cultuur. En alles gaat over Noord-Nederland, en over katholiek versus protestant. De Gouden eeuw, die veel langer duurde, krijgt ook wel een deel, maar daarvan gaat eigenlijk de helft over het zuiden. En het gaat nauwelijks over de rol van de publieke kerk, Nederland is gewoon een protestantse natie, punt uit. Tegenwoordig wordt er veel meer naar de Gouden Eeuw gekeken dan naar de opstand.

Dat verzuilde beeld bestaat nu niet meer. Maar het is niet veranderd omdat er zoveel nieuwe bronnen zijn ontdekt. Wij maken nog altijd dankbaar gebruik van eerdere bronnenontsluitingen, al wordt er nu wel heel anders omgegaan met liedcultuur, bekeringsverhalen, of bijvoorbeeld het Spaanse beeld van de opstand, om maar eens wat recente onderzoeken te noemen.''

Hoe heeft dat de interpretatie van deze periode veranderd?

,,De verzuilde geschiedenis van het duidelijk gedefinieerde vaderland is ten einde. We zien de Republiek in de Gouden Eeuw veel meer als een speelruimte voor heel verschillende groepen. Bij Huizinga was de Republiek een burgerlijke mannelijke samenleving. Nu is het beeld zoveel breder en ingewikkelder: we kijken nu naar de adel, de armenzorg, de vrouwen, de vreemdelingen. Het is in feite een statenbond, vol onderhandelingen en integratieproblemen. Dat is toch een heel andere herkenning van die eeuw dan het oude `Vaderlandsche' beeld. Ik zie niet zo veel in vaderlandse geschiedenis, dat wordt heel snel een ideologisch verhaal waarin een paar elementen worden geïsoleerd van het grote verhaal. Complexiteit is veel interessanter.''

Wat komt er nog aan?

,,Dankzij de archeologie zullen we veel meer te weten komen over het dagelijks leven. En dat kunnen we gebruiken om de nog altijd levende gedachte van een eenheid van het Nederlandse volk aan te tasten. Op oude kerkhoven is DNA te vinden, dat ontwikkelingen in demografie en etnische groepen kan blootleggen. De Gouden Eeuw zal gevarieerder worden. De rol van de buitengewesten wordt steeds duidelijker. Ja, Holland domineerde politiek, maar er waren veel andere culturele en economische invloeden. Verder verwacht ik nogal wat biografieën, een genre dat voor de Gouden Eeuw onderontwikkeld is, terwijl je daarin toch van het kleinste detail naar de grootste ontwikkelingen kunt gaan.''

Het volk wilde de Verlichting

Wijnand Mijnhardt is hoogleraar Geschiedenis na de middeleeuwen, in het bijzonder de cultuur-, mentaliteits- en ideeëngeschiedenis, in Utrecht.

Wat is er veranderd in de kennis over de achttiende eeuw en de verlichting in Nederland?

,,Het oude beeld was duidelijk. Je had de glorie van de Gouden Eeuw, dan komen er twee eeuwen van verval, en in 1890 komt het allemaal weer goed. Niemand keek grondig naar wat er gebeurde in de achttiende eeuw, want de verklaring voor dat verval was óók duidelijk: karakterzwakte. En de Verlichting, dat was Frankrijk. Dat is natuurlijk enorm veranderd. Karakterzwakte als verklaring bestaat niet meer. De economen hebben de structurele oorzaken blootgelegd, en die verbazen zich eigenlijk vooral over het feit dat Nederland het verval nog zo heeft weten te rekken. En dat heeft de blik veranderd. We zijn de bronnen anders gaan lezen. En dan zie je wel degelijk een Nederlandse Verlichting – zoals nu in heel Europa eigen `verlichtingen' worden ontdekt. Juist in de tweede helft van de achttiende eeuw is de basis gelegd voor de Nederlandse samenleving tot 1970. Dáár liggen onze wortels, en niet in de zeventiende eeuw. In de achttiende eeuw ligt de oorsprong voor de typisch Nederlandse mentale structuur: naar binnen gerichtheid, belangstelling voor religieuze kwesties, een centrale rol voor de dokter en de predikant, de cultuur van het hoge gemiddelde zonder hoogtepunten.''

,,Het was dus geen periode van verval, het was een periode waarin iets heel nieuws ontstond. Toen kwam het idee op dat wij ons best moeten doen om brede zorg te geven. Het unieke van de Nederlandse Verlichting is het centrale idee dat het hele volk Verlichting eist. Dan kan je nog altijd zeggen: dáár is het misgegaan, want zo krijg je natuurlijk geen grote geesten. Maar je kunt er ook blij mee zijn.''

Wat komt er nog aan?

,,In het buitenland is heel veel belangstelling voor de `radicale Verlichting' in de zeventiende eeuw, rond Spinoza en anderen. Uit Nederlands perspectief werd dat altijd als marginaal afgedaan, maar nu blijkt dat dáár de wortels liggen voor de grote Verlichting in de achttiende eeuw in Engeland, Frankrijk en elders. In Nederland gaat het dan juist weer anders, daar krijg je in feite een closing of the Dutch mind. Ik denk dat dat met de verstedelijking te maken heeft. In de zeventiende eeuw is Nederland het meest ontwikkelde stedelijk systeem in Europa, en stadscultuur leidt tot non-conformisme en moderne ideeën. Maar in de achttiende eeuw is het verval van de steden dramatisch: Hoorn, Enkhuizen en andere steden zien in twee generaties hun inwonertal halveren. En onder invloed van dat `verval' ontstaat het unieke idee dat het hele volk tot bloei moet worden gebracht, dat iedereen daarbij betrokken moet worden. Dat is mislukt, maar de ideeën waren wel uniek.''

De romanschrijvers liepen voorop

Johannes Houwink ten Cate is hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Centrum voor Holocaust en Genocide Studies.

Is er aan feitelijke kennis over de Tweede Wereldoorlog veel bijgekomen in de zes decennia achter ons?

,,De gegevens waren grotendeels al voorhanden, er is wel op andere manieren en op andere plaatsen naar gezocht. Naar internationale maatstaven is vrijwel geen oorlogsgeschiedenis zo goed doorvorst als die van de bezettingsjaren in Nederland. Drie factoren zijn daarbij doorslaggevend geweest. Er waren veel geschreven bronnen overgeleverd. Er was van meet af aan een ruimhartige toegang tot de archieven – vergeleken met bijvoorbeeld België. En er is vrijwel direct een instituut opgericht dat als documentatie- en kenniscentrum toegang tot al die kennis vergemakkelijkte, het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Een van de belangrijkste historische feiten uit de oorlog, het relatief uiterst hoge aantal uit Nederland gedeporteerde joden, beschreef Abel Herzberg al in 1950 in zijn Kroniek van de jodenvervolging. In de eerste jaren na de oorlog werd vooral onderzoek gedaan naar de anti-joodse politiek van het nazi-bezettingsbestuur. In latere jaren is met name de jodenvervolging op steeds lagere niveaus onderzocht. Er zijn steeds meer dagboekpublicaties. Dat levert allemaal nieuwe inzichten op.''

Is de interpretatie van de oorlogsgeschiedenis wezenlijk veranderd?

,,Zeker. Deze tak van geschiedschrijving ligt sterk in het verlengde van politieke debatten en ook het standpunt van de historische wetenschap is daar gevoelig voor. Direct na de bevrijding was de consensus dat sommige personen en bewindslieden weliswaar hadden gefaald, maar dat de Nederlandse verzuilde samenleving als geheel mentaal ongebroken was, onze democratie was beproefd en overeind gebleven. Dat was niet zozeer een bewering over het feitelijke verleden, maar meer bedoeld als teken dat wij het in 1949 verdienden om tot de NAVO toe te treden. In die jaren liepen de romanschrijvers op de historici vooruit als het gaat om een wat minder heroïsche blik op de oorlog.

,,In de jaren zestig verandert dat. Dan wordt de geschiedschrijving over oorlog een instrument in de strijd tussen de generaties. Ergens in die periode sterven de helden uit het verzuilde pantheon. Eind jaren zestig, met de debatten over de Drie van Breda, verschuift de aandacht naar de slachtoffers van de vervolging. En vanaf de jaren tachtig is de theorie dat rassendiscriminatie wel móest leiden tot massamoord, gebruikt als een wetenschappelijke eerste hulp bij racistische ongevallen.''

Zijn er nog fundamentele bijstellingen van ons oorlogsbeeld te verwachten?

,,Niet fundamenteel. Wat je nu meer ziet zijn onderzoeken die internationale en regionale vergelijkingen maken. Daar komen soms verrassende inzichten uit.''

Met de muis de Middeleeuwen in

Wim Blockmans is hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis te Leiden.

Kan er nog wel feitelijke kennis bijkomen uit een periode die relatief weinig bronnen heeft nagelaten?

,,De bronnen liggen er wel, maar ze zijn toch niet allemaal doorgeploegd. Zestiende-eeuwse vonnisboeken bijvoorbeeld, of registers van de rechtbanken, waar de praktijk van de rechtspraak in te lezen valt, en dus veel aspecten van het dagelijks leven. Die bronnen geven een heel ander beeld van de laat-middeleeuwse samenleving dan uit voorschriften naar voren komt.''

Hebben wij nu een andere blik op de Bourgondische tijd dan pakweg vijftig jaar geleden?

,,Zelfs anders dan tien jaar geleden, volgens mij. In handboeken zie je nog altijd een accent op het idee dat de vorming van `Nederland' in de sterren geschreven stond. Het gezichtspunt is traditioneel, vooruit kijkend naar de Nederlandse Opstand en het territorium dat daarbij is veroverd. Dat is een vorm van teleologisch denken die sterk verbonden is aan de nationale mythe van Nederland die in de negentiende eeuw is gestold.''

,,Daar komt nu wel verandering in. Ik zie vanaf de Bourgondisch-Habsburgse periode een grote continuïteit in de integratie van de gebieden onder één gezag. Hoeveel bewondering ik ook voor Huizinga heb, zijn Herfsttij der Middeleeuwen staat na negentig jaar nog altijd overeind, ik ben het niet eens met zijn visie op de Bourgondiërs als de laatste representanten van de Middeleeuwen. Volgens mij is Karel V veel meer de Vader des Vaderlands dan Willem de Zwijger. Misschien kan ik dat als Vlaming wat makkelijker zien en zeggen. Karel heeft het territorium bijeengebracht, zeker gesteld en afgebakend in de Pragmatieke Sanctie van 1549.''

Zijn er nog nieuwe gezichtspunten op deze tijd te verwachten?

,,Door de computer kunnen we heel ander onderzoek verrichten. Historici richten zich nu op netwerken van families of elites en dat verandert onze blik op die tijd. Hetzelfde geldt voor onderzoek naar de rechtspraktijk. Ik weet zeker dat er in die bronnen voldoende stof zit voor een Nederlandse variant op Carlo Ginzburgs De kaas en de wormen. Ik weet alleen niet zeker of er in Nederland historici zijn met de schrijfstijl voor zo'n boek.''

Romeinen die geen toga droegen

Nico Roymans is hoogleraar Provinciaal-Romeinse Archeologie aan de Vrije Universiteit.

Wat is er de afgelopen decennia veranderd in de kennis over de Romeinen in Nederland?

,,Aan de schriftelijke bronnen, Tacitus, Plinius, Caesar, is niets veranderd en er is ook niets bijgekomen. Maar er is een nieuw, verbluffend rijk beeld van die periode ontstaan dankzij de archeologie. Alleen de tempels al die we hebben gevonden! Opvallend groot en klassiek van vorm, van steen en met zuilen. Dat steekt sterk af tegen het simpele platteland. Van de huizen vind je alleen boerderijen van het prehistorische type, van leem en met rieten daken, waarin de mensen samen met het vee onder een dak wonen. Dat is heel on-romeins, zo tussen het vee. In het legerkamp Vindolanda, bij de Muur van Hadrianus in Engeland, zijn brieven van Bataafse soldaten naar huis gevonden, op resten van schrijfplankjes.''

,,Je ziet dus een wereld die in uiterlijk en grafritueel prehistorisch is, maar de mensen die er wonen corresponderen dus wel met familie, in het Latijn. En ze dragen steeds meer Romeinse namen. Na het jaar 100 hebben ze ook allemaal het Romeinse burgerrecht.''

Hoe heeft die nieuwe kennis de interpretatie van deze periode veranderd?

,,De `romanisering' is helemaal niet zo rechtlijnig als vroeger gedacht werd: het blijkt nu dat je ook volledig Romeins kunt zijn zonder toga of fraaie villa. Je moet het veel meer vergelijken met de huidige mondialisering, waar ook overal lokale interpretaties van bestaan. De consequentie is dat Nederland helemaal niet meer een gebiedje in de marge is. De redenering was: in Frankrijk had je mooie villa's en steden, hier had je niks.

Nee, wij waren ánders geromaniseerd, en wel degelijk intensief bij het rijk betrokken. Ons beeld van de rijksgrens, die langs de Oude Rijn liep, is ook veranderd, die limes was veel intensiever bebouwd dan we dachten: met overal wachttorens, kades en havens. Er was een continu onderhoud noodzakelijk, want dijken waren er toen niet. Het moet een gekke ervaring zijn geweest om daar te lopen: aan beide kanten van de grens zie je dezelfde prehistorische inheemse boerderijen, maar aan de ene kant zijn de inwoners intens geromaniseerd. Zo krijg je zicht op culturele veranderingen. Daar werd vroeger nooit op gelet.''

Welk belangrijk onderzoek komt er aan?

,,Ik denk dat we belangrijke nieuwe inzichten zullen krijgen in de continuïteit van de bewoning in de laat-Romeinse tijd. De Bataven en Caninefaten, waar zijn ze gebleven? In de derde eeuw duiken nieuwe groepen op, die Franken heten. En die latinisering van eerder is dan ook verdwenen, want dan zou eigenlijk de taalgrens hier hebben moeten lopen, en niet in België.''